Belfort Aalst

Geschiedenis van de beiaard van Aalst

Eerste beiaard (1545-1715)

De eerste beiaard van Aalst kent een geschiedenis van 1460 tot 1715 wat de klokken betreft, maar in de huidige betekenis van het woord (minimum 23 klokken) kan men nog niet van een echte beiaard spreken.
In 1451 wordt er melding gemaakt van een uurklok. Na de afwerking van de octogonale toren van het belfort in 1460, hingen er drie appeelkens, vervaardigd door Jan Zeelstman (Mechelen). Deze had drie jaar daarvoor (1457) ook de werkklok gegoten die nu nog steeds in het bijtorentje hangt.
Pas 79 jaar later, in 1539, bestelde men zeven nieuwe klokken bij Medart Waghevens (Mechelen) en konden er liederen op de klokken gespeeld worden. In 1545 leverde zijn half-neef Jacob Waghevens elf nieuwe klokken.
Van Doorslaer besluit dat men niet tevreden was over Medart en dat men deze klokken zou vervangen hebben door die van Jacob. Dit wordt bevestigd in de stadsrekeningen van 1545-’46, die spreken van een prijsvermindering door het gewicht van de oude klokken. Even verder wordt gemeld dat de nieuwe klokken op het belfort zijn gehesen en de oude er afgehaald zijn. In 1591 goot Peter vanden Ghein (Mechelen) vijf nieuwe klokken.
Op dit moment wordt er ook sprake gemaakt van klepels, wat op de aanwezigheid van een klavier wijst.

In 1666 kwamen er nog vier klokken bij van Hendrick Lefebvre (Antwerpen), zodat de beiaard aangroeide tot 20 gekende klokken.

In 1714 sprak men van “negenthien clocken, daer onder niet begrepen noch ure noch alf ure clocke”, dus een totaal van 21 klokken. Blijkbaar is de uurklok steeds blijven hangen en nooit hersmolten, wat gebruikelijk was.

Tweede beiaard (1715-1750)

De tweede beiaard werd door Joannes Pauwels (Gent) gegoten tussen 1715 en 1717.
Eerst goot hij een reeks van 35 klokken, zijnde drie octaven.
De beiaard transponeerde een grote sext omhoog. De uurklok e1 was aangesloten op het klavier als g0.
Omdat de eerste nieuwe klok een a2 was (op het klavier aangesloten als c1), besloot men in juni 1716 de tussenliggende klokken fis1 en gis1 (op het klavier aangesloten als a0 en b0) ook aan te schaffen.
Daar men de nieuwe reeks echter diatonisch was begonnen, ontbraken ook de klaviertonen cis1 en es1. Die werden besteld in januari 1717, zodat het totale aantal op 40 klokken kwam, met klaviertonen g0 – a0 – b0 – c1 – chrom. – c4.
Algemeen wordt over een totaal van 41 klokken gesproken, waarbij de half-uurklok meegerekend wordt. Niets bewijst echter dat deze in de beiaard werd opgenomen, enkel de uurklok wordt vermeld als onderdeel van de beiaard.
Met 41 klokken zou de beiaard eindigen op klaviertoon cis4, wat erg onwaarschijnlijk lijkt. Van deze beiaard is er nu nog slechts één klok te vinden van 1717, in het stadsmuseum van Aalst.
Dat deze beiaard vals moet geklonken hebben, wordt bevestigd door de kroniekschrijver Luyckx en door het feit dat hij hergoten werd in 1750.

Derde beiaard (1750-1879)

Joris Dumery uit Brugge werd eerst belast met het hergieten van enkele Pauwels-klokken, gekeurd in juni 1750. In juli werd de beiaard nog eens onderzocht door Matthias Vanden Gheyn, en uiteindelijk werden alle klokken hergoten, met uitzondering van enkele basklokken die verkocht werden aan Nieuwerkerken.

Uitgaande van de afmetingen van de vierde beiaard, mag men aannemen dat de Dumery-beiaard een omvang had van 38 klokken met klaviertonen g0 – c1 – d1 – e1 – chrom. – d4 en een kwint omhoog transponeerde.

Vierde beiaard (1880-1958)

In 1879 brandde de toren af, waarbij slechts 17 Dumery klokken onaangetast bleven. Nog in 1879 ondertekende het stadsbestuur een contract met Andreas Van Aerschodt (Leuven) voor het hergieten van de 17 kleine klokjes en de vier basklokken.
In 1880 werden de klokken geleverd en goedgekeurd door Xavier van Elewijck uit Leuven.
In hetzelfde jaar zorgde Edward Michiels voor de trommel, het beiaardklavier, en de bijbehorende tractuur.
De beiaard bestond nu uit 17 Du Meryklokken en 21 Van Aerschodtklokken.
In 1896 leverde Adrien Causard (Tellin) nog drie klokjes. Beiaardier Karel De Mette goot zelf de vier kleinste klokjes in 1926, zodat de beiaard in totaal uit 45 klokken van vier verschillende gieters bestond.
Bij de meting van deze beiaard in 1958 ontbraken de laagste twee Van Aerschodt-klokken en de hoogste twee De Mette-klokjes.

Vijfde en huidige beiaard (1958)

Na lang aandringen van beiaardier Robert De Mette, besloot het stadsbestuur aanvankelijk om de beiaard met zeven klokken uit te breiden. De andere klokken zouden herstemd worden. Toen echter bleek dat de klokken die te laag van toon waren niet konden herstemd worden, besloot men alle bestaande klokken te hergieten.
Dat gebeurde in 1958 door Horacantus (Lokeren), een filiaal van Eijsbouts. De zwaarste klok werd geëlimineerd uit de reeks, en de nieuwe beiaard werd een kwart lichter dan de vorige, nl. g1 – a1 – b1 – c2 – chrom. – c6. Deze dispositie is geïnspireerd op die van 1717. De Michiels-trommel verdween waarschijnlijk in 1961, bij de plaatsing van een bandspeelwerk door Gabriël Castelain, dat in 1969 op zijn beurt vervangen werd door een electro-magnetische speeltrommel van Clock-O-Matic.
Na 500 jaar klokken-geschiedenis kan Aalst luisteren naar een zuivergestemde beiaard die voorbeeldig harmonieus klinkt.

Historische curiosa

In de loop der eeuwen is er telkens nog hier en daar iets overgebleven dat herinnert aan de beiaard of haar beiaardiers. Een opsomming:

Klokken
• Jan Zeelstman, werkklok 1457, bijtorentje belfort Aalst
• Jacob Waghevens, 1545, Begijnenkerk Aalst
• Joris Du Mery, 1750-53, Nationaal Beiaardmuseum Asten: 5 klokken
• Joris Du Mery, 1750, Stedelijk Museum Aalst
• Adrien Causard, 1896, Stedelijk Museum Aalst

Varia

• Zes marsen (na 1732 – vóór 1746) Boudewijn Schepers, Nat. Beiaardmuseum Asten
• Oefenklavier (vóór 1750) Boudewijn Schepers, Nat. Beiaardmuseum Asten
• Oefenklavier (vóór 1920) Karel De Mette, Stedelijk Museum Aalst
• Salonbeiaard (+/- 1920) met buisklokken en Hollands pedaal van Karel De Mette, Nationaal Beiaardmuseum Asten

Het automatisch spel anno 1962

Na de plaatsing van de huidige beiaard in 1958 door Horacantus, besloot het stadsbestuur van Aalst in 1961 om het automatisch speelwerk te laten vernieuwen en een nieuw torenuurwerk te laten plaatsen.
Er kwamen zes inschrijvingen binnen. Hoewel het voor de hand zou liggen dat Horacantus de opdracht zou krijgen die toch ook de beiaard had gegoten en ingericht, werd gekozen voor Gabriël Castelain uit Kuurne, die bij de goedkoopste bieders was.
Het werd een lang aanslepende lijdensweg. Stad Aalst vond dat de uitgevoerde werken geen voldoening schonken. Verschillende haperingen waren reeds kort na de installatie van het bandspeelwerk merkbaar.
Tot overmaat van ramp scheurden, kort na de installatie van het automatisch spel, twee Horacantusklokjes.

Toen Castelain de schuld bij de klokkengieter legde, wierp deze op dat de oorzaak lag aan het veel te hard spelende automatische spel.
“De motorhamers hiervan slaan met een dusdanige kracht tegen de klokken, dat het scheuren van één of meerdere klokken haast onvermijdelijk is. En dit temeer omdat deze stalen hamers dikwijls niet op de juiste plaats van de slagring aanslaan.”
Dat het automatisch spel wel degelijk lawaaierig was, bewijst volgende brief van de omwonende Ajuinen:
“Ondergeteekenden, gezinshoofden zijn zo vrij te protesteren tegen het te langdradig en te luid-druchtige rammel van de beiaard, op het uur, het half uur, en het kwartier. Dit beiaardspel verhindert de rust in de dag; stoort onze zieken en kleine kinderen; stoort het beluisteren van radio en T.V.; belet onze Studenten ernstig te studeren. Het klokkenspel is ook de oorzaak dat personen gevaar lopen zenuwziek te worden.”

Eijsbouts hergoot in juni 1965 de twee klokjes (nr. 27 en nr. 40).
In 1969 leverde Clock-O-Matic een electro-magnetische speeltrommel met twee reservetrommels. En daarmee verdween elk spoor van Castelain.

Geschiedenis van de beiaardiers van Aalst

Dit hoofdstuk kan men gedetailleerd lezen in De beiaard van Aalst (1984), geschreven door Pierre Desmedt.

• Cornilles den Rouc, beyaerdere van der stede, rond 1447-1459, doch niet op het belfort
• Jan van der Sporct, beyaerdere van der kercken (1511 – 1531/32)
• Cornelis van der Sporct, beyaerdere van der kercke (1531/32 – 1538/39), beyaerdere deser stede (1539/40 – ?)
• Gillis Alicourt (+1603), beyardere (1588 – 1603) In 1590 is er sprake van klepels, het eerste bewijs van de aanwezigheid van een klavier
• Sampson Allicourt (+1636), beiaardier (1603 – 1636)
• Jan Droeshout (°1627 – +1676), beiaardier (1653/54 – 1676). Hij bespeelde vanaf zijn 10 jaar (1637/38) de beiaard, maar werd pas aangesteld in 1653/54.
• Jaecques de Wespin, beiaardier (1678 – 1681)
• Franchois Guens, cantor en violist in dienst van de hoofdkerk, beiaardier ad interim (1681-1684)
• Theodoor de Labremont (+1724), beiaardier (1684 – 1716)
• Karel Peeters (°1699 – +1745), beiaardier (1716 – dec. 1732) daarna beiaardier te Leuven (1732 – 1745). Hij was de eerste beiaardier die een degelijke muziekkennis bezat en zelf voor de versteek zorgde. Dit ging gepaard met de eerste serieuze beiaard qua omvang van klokken.
• Boudewijn Schepers (? – +1781), beiaardier (1733 – 1772). Meest beroemde beiaardier van Aalst. Van hem zijn verschillende marsen bewaard gebleven. Zijn oefenklavier staat in het museum te Asten.
• Cornelis Schepers (°1747-+1826) beiaardier (1772 – 1826)
• Jozef Schepers (°1783 – +1859) beiaardier (1826-1859) waarschijnlijk reeds lang vóór 1826 actief
• Franciscus-Albertus van de Maele (°1863 – +1891), beiaardier (1863 – 1891)
• Karel De Mette (°1867 – +1936), beiaardier (1891 – 1936)
Hij was reeds 4 jaar beiaardier van Aalst toen hij beiaardier van Brussel werd. Dit gebruikte hij om in 1896 een loonsverhoging te vragen in Aalst van 600 gulden naar 1000 gulden per jaar.
• Robert De Mette (°1902 – +1975), beiaardier (1936 – 1975)
• Pierre De Smedt (°1934), beiaardier (1977 – 1999)
Nadat Pedro de Smedt met pensioen ging, werd er geen nieuwe beiaardier aangesteld. Organist Kristiaan Van Ingelgem bespeelt de beiaard ad interim op zaterdag.

Legende hardnekkiger dan de feiten

Er is geen stad zoveel besproken geweest i.v.m. het ontstaan van de beiaard als Aalst. In Antwerpen vindt men het enige bewijs hieromtrent, geschreven door een monnik van de St.-Michielsabdij te Antwerpen, dat er in 1480 voor het eerst gebeiaard werd op een manier waar “eene sot van Aelst” op gekomen was.
Dit wordt bevestigd door een andere kroniekschrijver genaamd Ortelius, die de feiten in 1481 plaatst en het heeft over iemand van Aalst met weinig gezond verstand.
André Lehr meent dat er niet is op te maken of Ortelius bedoelde dat de man in kwestie ofwel werkelijk gek was, ofwel dat alleen een man die niet goed wijs was het spel op de klokken kon uitvinden.

Misschien moeten we de benaming zot gewoon zoeken in het feit dat carnaval ten allen tijde met Aalst werd vereenzelvigd, en dat iemand uit Aalst niet in de betekenis van “krankzinnig” werd gebrandmerkt, maar als carnavalszot of feestvierder.
Dat Ortelius het heeft over iemand met weinig gezond verstand, kan wijzen op een letterlijke overneming van een andere bron, zonder dat hij de tradities van Aalst in het carnavalvieren kende. In Aalst zelf wordt echter in geen enkel tekst over een nieuwe manier van spelen gerept, en daarmee zou het gerucht kunnen stoppen.

In de 19de eeuw kreeg deze zot een naam toegekend, die volledig verzonnen werd door een patriottistische Aalstenaar. Dat werd het begin van een heerlijke legende, waaraan G. Van Doorslaer in 1925 een halt toeriep met zijn lezing op het congres van ‘s Hertogenbosch.

Ter afsluiting nog even zeggen dat Charles Burney in 1773 in zijn boek The present state of music in Germany, the Netherlands, and United Provinces, London, Vol. I, p. 15 schreef dat “the carillons are said to be originally of Alost.”

Bibliografie

• Burney, Charles: The present state of music in Germany, the Netherlands, and United Provinces, London, 1773, Vol. I, p. 15
• De Mette, Robert: “De zes klokkenspelen van Aalst,” overdruk uit Het land van Aalst, jaargang XI nr. 5, 1959, afdeling Onderwijs en Schone Kunsten, Aalst, 1959, 3 pp.
• De Mette, Robert: “Beiaard van Aalst” in Bondsnieuws nr. 23, jan. 1963, pp. 5-6.
• Desmedt, Pierre: De beiaard van Aalst, Stadsdrukkerij Aalst, 1984, 22 pp.
• Edwards, Georges: Vanished towers and chimes of Flanders, Penn Publ. Company, 1916, pp.111-115.
• Huybens, Gilbert: Beiaarden en torens in België, Ludion, Gent, 1994, p. 78.
• Lehr, André: Van paardebel tot speelklok, Europese bibliotheek, Zaltbommel, 1971, p.157
• Vander Straeten, Edmond: La musique aux Pays-Bas avant le XIXe siècle, Brussel, 1867-1888, pp.302-307
• Van Doorslaer, Georges: De beiaard van Aalst, Beiaardschool, Mechelen, 1927, 63 pp.
• van Nuffel, Petrus: De beiaard van Aalst van 1715, Van den Broeck-Jacobs, Aalst, okt. 1930, 19 pp.
• van Nuffel, Petrus: Kermisklokken, Spitaels-Schuermans, Aalst, 1920, 16 pp.

Tekst: Liesbeth Janssens

Geplaatst in Torens.

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *