Belfort Diksmuide

Geschiedenis van de beiaard van Diksmuide

Stadhuis

De beiaard hangt in de belforttoren van het stadhuis dat in 1923 heropgebouwd werd in een mengsel van neo-gotiek en neo-renaissance. Het is een vierkante, bakstenen toren bekroond door een opengewerkte lantaarn met bolspits. Het bovenste register is geflankeerd door achtkantige hoektorentjes met waterspuwers. Het belfort behoort sinds 1999 tot het UNESCO-Werelderfgoed. Het eerste schepenhuis op dezelfde plaats dateert van 1428 en werd in 1567 vervangen door een groter. In 1875 werd het grootste gedeelte gesloopt en vervangen door een neo-hooggotisch stadhuis van architect Louis Delacenserie, dat op zijn beurt getroffen werd door Duitse obussen tijdens WO I, waarna het huidige stadhuis gebouwd werd.

Eerste voorslag met jacquemarts

In 1408 bezat Diksmuide een uurklok met een mechanisme in de Sint-Nicolaaskerk. In 1444 werd een uurwerk aan de buitenzijde van de kerk gehangen. Wanneer de eerste voorslag werd opgehangen, is niet bekend. Ook waren er klepbeelden of jacquemarts aanwezig, genoemd de Zot en de Zottin. In 1462 werd een klok gegoten genaamd Kerstinneklok.

In 1531 werden de ‘cloxkens van thorloge’ naar Brugge gevoerd om te worden hergoten. Ook het horloge werd naar Ieper gezonden om te worden hersteld. In het zelfde jaar werd Jooris de Hoosche betaald “van te snijden een man die t’horloge slaet ende thoofte van eene vrouwe staende an de wijsere.” De vier voorslagklokjes die te Brugge hergoten waren, voldeden niet en werden in 1532 hergoten door een klokkengieter van Mechelen, waarschijnlijk Peter of Medart Waghevens.

In 1556 en 1563 moest telkens een gebroken hand van de Zot worden hersteld. In 1564 was er een grondige restauratie van het gehele uurwerk en de jacquemarts. Waarschijnlijk bleven ze slechts in gebruik tot 1569, toen de vier ‘apeelen’ afgekoppeld werden om bij de rest van de klokken binnen in de toren te worden gehangen.

Luidklokken

In 1560-61 goot Simoen Hudebaert uit Bergen (Mons) vier luidklokken, twee grote van 3726 pond oud klokkenspijs en later twee kleine van 697 pond nieuw klokkenspijs. Men ging ook rond in de stad om bijdragen en metalen in te zamelen.

In 1563-64 kreeg Sarels de Vette, klokkengieter, de opdracht om de klok Nicolaeus te solderen en te herstellen. Dat volstond niet, want een jaar later hergoot de Vette deze grootste klok. In 1565-66 werd er weer een omhaling gedaan voor de hergieting van twee andere luidklokken genaamd “Kerstinne” en “Anthone”. Zo werden drie van de vier klokken van Hudebaert ter plaatse hergoten door Sarels de Vette. In 1568-69 werd de grote klok nogmaals hergoten, deze keer door Ian Huerdebert (Huughebeert), die voor het maken van de vorm volgende ingrediënten nodig had: “roet, eyers, haer, cooper draet, coorden ende houpen”.

In 1594 kwam een – niet nader genoemde – klokkengieter van Rijssel om twee (luid)klokken te hergieten.

Eerste beiaard

In 1568 waren er dertien klokken en werd een nieuw klavier, trommel-speelwerk en beiaardcabine gemaakt. Heynderiick Claren werd betaald voor “tleveren ende dtrayen van dertien clavier stocken”; de beiaardier van Duinkerke, die nog “clocluder” wordt genoemd, werd betaald “over stellen ende tmaken van de nieuwe clavieren van de clocken” en Willem Gheraet werkte vijf dagen op de toren “omme te maken de nieuwe claviere ende thuusekin daer den clocluder inne ziidt”.

Een jaar later werden de vier ‘apeelen’ die door de jacquemarts werden aangeslaan (zie boven) bij de andere klokken van de beiaard gehangen. In 1594-95 kreeg Hubrecht Huwyn uit Sint-Omer de opdracht om van twee oude klokjes en 183 pond ander ijzerwerk drie ‘apeelen’ te gieten. In 1599-1600 werden zes klokjes van de beiaard naar Marcx Le Serre in Doornik verscheept naar Ieper om hergoten te worden. In Ieper is er nog sprake over slechts vijf klokjes, met een totaal gewicht van 1.016 Ieperse pond. De vijf hergoten klokjes wogen echter 270 pond meer, nl. 1188 Ieperse pond, zodat het verschil werd terugbetaald aan Le Serre.

17de eeuw

Diksmuide werd gedurende de hele 17de eeuw en de eerste helft van de 18de eeuw geconfronteerd met aanrukkende legers, veldslagen, plunderingen, verwisseling van strijdmachten, etc. De stad werd hierdoor uitgemolken, en het is dan ook verwonderlijk dat er desondanks toch geld was voor beiaard en torenuurwerk.

In 1616 werden er klokken hergoten door enkele klokkengieters onder leiding van Joseph Michelin (Merghelin). Het gaat om zo’n 1000 pond klokkenspijs. In 1647 werd Diksmuide door de Fransen ingenomen en werden alle klokken opgeëist. Ze werden teruggekocht tegen 1600 £. In 1668 brandde de toren af en werd de beiaard verwoest. In 1671 werd Joannes Lefever uit Antwerpen ontboden voor het hergieten van de gebroken (luid)klokken.

In 1672-73 werd Jacques Sagon betaald voor het gieten van 23 nieuwe beiaardklokken met een totaal gewicht van 19.000 pond. Pater Philippe Wyckaert uit Gent kwam de klokken keuren en de trommel versteken. Pas in 1674-75 werd Peter De Ruysschere betaald voor het maken van een stal waar de klokken moesten gegoten worden, en voor arbeid bij het uithalen van de klokken. Het gaat hier wellicht om een achterstallige betaling.

In 1676-77 kwam Nicolays Van Roye, horlogemaker uit Gent, instructies geven om een nieuw horloge te maken. Pieter Van Borre werd betaald om 160 pond ijzerdraad te halen in Rijssel voor het automatisch spel. De trommel met hamers en ander toebehoren, goed voor een gewicht van 5600 pond, werden vanuit Brussel getransporteerd. Opnieuw kwam Pater Wyckaert uit Gent om de nieuwe trommel te inspecteren en te versteken.

In juli 1695 werd de stad belegerd en werden de klokken opgeëist, maar de stad kon een akkoord bereiken met de generaal van de artillerie om de klokken af te kopen. Een bombardement in 1696 reduceerde het kerkgestoelte tot ruïne en bedolf het orgel helemaal onder gruis, maar de toren bleef gespaard.

In 1698-99 werd een akkoord gemaakt met klokkengieter Jan Baptiste Seiguier (Seigneur, Seignier) voor het gieten van een nieuwe stadsklok. Er werd in totaal 938 pond klokkenspijs verzameld. Volgende zaken worden aangehaald: rode steen en aarde voor het maken van de vorm, drie kleine wapens ter versiering van de klok, hout om te stoken, en gewichten om de klok te wegen.

Hergieting klokkenspel 1699

Op 5 februari 1699 werd besloten om de grote klok en de kleine klokjes van het klokkenspel te hergieten. Enkel de drie (op één na) grootste klokken van Sagen bleven bewaard. Opnieuw werd Jan Baptiste Seigneur (Seiguier) aangesproken. Buiten de te hergieten klokken, die men in stukken sloeg, werd er voor zo’n 1400 pond extra metaal, koper, tin en klokkenspijs aangekocht. Vermoedelijk werd de beiaard uitgebreid, misschien wel tot 30 klokken zoals in die periode gebruikelijk was. De klokken werden ter plaatse door Seigneur gegoten. Er wordt melding gemaakt van volgende benodigdheden: manden om de klokkenspijs op te halen en weg te voeren, gereedschap om de klokken te breken, leem uit Eessen voor de vormen, en 2000 dakpannen voor de klokkenstal. Ook het stadshorloge werd grondig nagekeken door Jan Dedieu.

18de eeuw

In 1713-14 werden er opnieuw enkele grote klokken hergoten, waarschijnlijk de grote en de O.L.Vrouwklok, door een niet nader genoemde klokkengieter.

In 1721 teisterde een zware storm toren en beiaard, waarbij de haan en het kruis afbraken, de grote klok barstte, en de torenspits, het stadshorloge en het klokkenspel grote schade opliepen. Gedurende twee jaar heerste er grote bedrijvigheid om de nodige klokken te hergieten. Uit Ieper werd 697 pond rood koper en tin gebracht, daarnaast nog 98 pond Engels tin. Opnieuw gingen werklieden, timmerlui, metsers en smeden aan de slag om in augustus 1721 de klok te kunnen gieten. Aarde werd aangebracht en de stadsklok werd in stukken geslagen. De opdracht ging naar Antoine Bernard uit Lotharingen, die ook enkele beiaardklokjes hergoot. Gewoontegetrouw werd er bij de pas gegoten klokken gewaakt, zodat ze niet gestolen werden. Verder werden de nodige hamers gesmeed voor de beiaard en werd deze opnieuw opgehangen, de torenspits werd hersteld, wijzerplaten werden aangebracht en verguld, stukken vervangen in het stadshorloge en het automatisch spel, etc. De totale schade aan toren, uurwerk en beiaard bedroeg bijna 4000 £.

In 1722 werd er weer 1600 pond klokkenspijs uit Ieper aangekocht, en daar kwam nog zo’n 500 pond Engels tin en muntstukken bij. Werden in 1721 enkel kleine klokken hergoten, en was pas in 1722 de grote klok aan de beurt? Of was de grote klok gebarsten, werd de beiaard uitgebreid? Feit is dat de grote klok de geschiedenis inging met het jaartal 1722, en dat zowel in 1721 als 1722 meerdere klokken hergoten werden. Aan Antoine Bernard werd in 1723-24 nog 504 £ betaald voor hetgeen hem nog restte in de hergieting van de gebarsten klok. De grote klok werd gedurende 19 dagen een half uur dagelijks geluid, om te zien of ze (deze keer?) sterk genoeg was. Kanunnik Drubbel uit Torhout werd overgebracht om de beiaard te keuren.

Joannes Dedeckere verstak in 1723-24 de trommel en deed enkele herstellingen aan het horloge. Een jaar later werd Joannes Basenrieu (Baguenrieux), beiaardier van Brugge, ontboden om gedurende vier dagen de uurslag en de beiaard te repareren.

In 1731 werd de O.L.Vrouwklok hergoten. In 1761-62 werd er een beiaardwedstrijd gehouden om een nieuwe beiaardier te benoemen.De kandidaten waren vermoedelijk Valerianus Dezitter en Anthone Lorret, vermits ze beiden vermeld worden dat jaar als beiaardspeler. Enkele beiaardklokken werden hergoten door Guilmain (Guillemin).

In 1764/65 leverde Pieter Dedeckere, stadshorlogemaker, driehonderd nieuwe noten voor het automatisch spel. Anthone Loret was beiaardier op dat moment en dus winnaar van de beiaardwedstrijd.

19de eeuw

Tijdens de Franse periode bleef de beiaard doorspelen. Op 22 februari 1853 liep de kerktoren door blikseminslag zware schade op. Er werd besloten om de beiaard (ophanging van de klokken en torenuurwerk) te laten herstellen. De opdracht was voor een zekere Bouvrerie uit Brugge die liet weten dat het eveneens nodig was om verschillende klokjes opnieuw te laten gieten (1853). Was de gieter De Vuyst waarvan één klokje bewaard is uit 1853 (zie curiosa)? In de tweede helft van de 18de eeuw werden nog enkele klokken toegevoegd door Severinus Van Aerschodt.

20ste eeuw

In 1905 voerde M. Gonthier herstellingswerken uit. De beiaard telde toen 32 klokken en 6 luidklokken. In 1914 werd de beiaard samen met de hele kerk in puin gelegd. Gedurende 21 jaar was er geen beiaard meer. Wel werden er in de Sint-Nicolaaskerk nieuwe luidklokken gehangen in 1925 van G. Slegers-Causard. Vier luidklokken werden opgeëist in WOII tijdens de klokkenroof, de kleinste mocht blijven hangen als luidklok.

Huidige beiaard

Reeds in 1923 werd besloten om een nieuwe beiaard aan te schaffen en onderhandelingen aan te knopen met Jef Denijn. Pas in maart 1935 werd dit besluit in praktijk omgezet en kwam de firma Michaux van Brussel kijken waar een nieuwe beiaard zou kunnen gehangen worden. Ook werd onderhandeld over de vereffening van oorlogsschade bij het Ministerie om een vergoeding te krijgen voor de beiaard. Op 26/4/1935 werd een beiaard besteld aan de prijs van 112.000 BEF. Michaux werkte samen met Marcel Michiels Jr., die uiteindelijk de klokken goot.

Op 9 oktober woonde de stadssecretaris de keuring van de beiaard bij door Jef Denijn. De beiaard werd volledig opgesteld in de werkhuizen van Somers in de Lange Nieuwstraat en beurtelings bespeeld door Jef Denijn en Staf Nees. Alles werd in orde bevonden en Jef Denijn leverde een getuigschrift waaruit de “hogere hoedanigheid” van de klokken, trommel en klavier moest blijken. Desiré Somers bezorgde het klavier en de trommel. Het uurwerk kwam waarschijnlijk van Edward Michiels uit Mechelen.

De officiële receptie van de beiaard had plaats op zondag 27 oktober en Jef Denijn speelde op de beiaard. Ook Staf Nees zou komen met enkele leerlingen van de beiaardschool. In 1945 werd Jozef Vanblaere officieel tot stadsbeiaardier benoemd. Hij was reeds officieus beiaardier sinds 1938. Hij ging op pensioen op 1 januari 2001. Hij werd opgevolgd door Wim Berteloot.

Automatisch speelwerk

Bij de inrichting van een nieuwe beiaard, werd een trommeltje geleverd voor 40 hamers, met stiften reeds aangebracht voor de melodieën “Dan mocht de beiaard spelen” en “Het loze vissertje”. De trommel werd nooit verstoken omdat er geen extra toonstiften waren geleverd en het stadsbestuur geen geld wilde besteden aan nieuwe. In 1986 voerde Clock-o-matic een restauratie uit. Het klavier uit 1935 bleef behouden, de hamers van het automatisch spel werden vervangen door elektromagnetische hamers, gestuurd door een ‘Cariomat 2000’ speelcomputer. De oude trommel en het uurwerk, die oorspronkelijk achter het klavier stonden, werden buiten werking gesteld en enkele verdiepingen lager opgesteld. De melodieën werden ingespeeld door Jozef Vanblaere en sindsdien niet meer vervangen.

Historische curiosa

· Origineel contract van Sagen uit 1672 (Stadsarchief Brugge, bundel ‘carillon’) £
· 1 klok met inscriptie “A. De Vuyst .Brugge.1853” plus de afbeelding van een vuist (kluis Sint-Niklaaskerk)
. trommel en klavier van Somers, 1935 (stadhuistoren) In het stadsmuseum bevinden zich volgende klokjes:
· 2 anonieme (beiaard?)klokjes met het wapenschild van Diksmuide
· klokje (slagtoon g3) gegoten door Ch. Brondel Jacquart
. gewijd klokje met kroon en Latijnse tekst, vermoedelijk 17de eeuw

Overzicht stadsbeiaardiers

1556 Jan Vandenbroucke, clockluydere
?-1595 Jan Deneve, clockluuder Pieter Pelle, vervanger vanaf 1592
1595-na 1599 Pieter Pelle, clockluder en beyaerden
1608 Charles Le Dieu, clockspeelder
1656 Joos Chasselet, oppasser der horloge
1676 Pieter Van Borre?
1681-1697 Jacob Vanborre, clockluyder (beyaardspeler)
1697- na 1717 Alexius Willaert
1697/98 Jacob Lesy, gaede slaender van de horloge
1713/14 Pieter Minne, versteek trommel
1715-1719 Gheeraert Dedeckere, trommel, horloge
1719-1749 Joannes Dedeckere (+11/11/1749) trommel, horloge
1727/28 Franciscus Weyne, klokspelder Alexius Willaert is dan zangmeester
1749-1760 P.J. Deschildere, clockspeelder
1752/53 JF. Deschildere, opwinder horloge
1758/59-na 1796 Pieter Dedeckere, opwinder horloge
1761/62 Valerianus Dezitter, clockspeler
1761- na 1787 Anthone Lorret, clockspeler
1904 Emiel Vermeirsch
1938-1/1/2001 Jozef Van Blaere (°1917)
Wim Berteloot

Tekst: Liesbeth Janssens

Sint-Sulpitius en -Dionysiuskerk Diest

Geschiedenis van de beiaard van Diest

De Sint-Sulpitiuskerk

Als bouwwerk in ijzerzandsteen is de Sint-Sulpitiuskerk een typisch voorbeeld van demergotiek. De kerk is getekend door de Franse architect Pierre De Savoye. De bouw sleepte meer dan 200 jaar aan, van 1321 tot 1534. Omdat de hoofdtoren nog gebouwd moest worden, werd het eerste uurwerk in een torentje boven het koor geplaatst. In 1471 werd dit torentje afgebroken en werd een vieringtorentje met een lange spits op de huidige plaats gebouwd, boven het kruis van de kerk. Pas in 1766 kreeg het vieringtorentje het huidige uitzicht. Het wordt de Mosterdpot genoemd, naar de scheldnaam van de Diestsenaars: Mosterdschijters, een benaming die teruggaat tot de Boerenkrijg.

Een voorslag

In 1443 goot Jan Zeelstman een klok voor Sint-Sulpitius. Reeds vóór 1457 zou Diest een ‘quatrillon’ gehad kunnen hebben, want in dat jaar werd een Mechelse gieter belast met het hergieten van drie klokjes. Deze gieter was waarschijnlijk ook Zeelstman. 1457 is ook het jaar waarin Diest een Kapittelkerk werd. In 1527 werd Joris II Waghevens ontboden in Diest om een akkoord te sluiten met de kerkfabriek van Sint-Sulpitius over de hergieting van twee gebarsten “groten choerclocken”. In maart 1528 leverde hij deze klokken, die samen 428 pond wogen. 386 ½ pond werd geleverd van de oude klokken, waaraan de kerkfabriek 41 ½ pond nieuw klokkenspijs toevoegde. De benaming “voorslag” wordt voor het eerst aangetroffen in 1551/52, toen de kerkmeesters drie klokken bij Peter I vanden Ghein uit Mechelen bestelden (samen 650 pond). Ook het stadsbestuur bestelde drie klokjes bij Medart Waghevens uit Mechelen, die hiervoor op 18 augustus 1552 betaald werd. Tegen deze klokjes werd later protest aangetekend, omdat ze niet “van goiden accorde” waren.

De stadsrekeningen van 1552/53 vermelden verder dat Meester Lambrecht Blezere, horlogemeester te Hasselt, het mechanisme van het torenuurwerk van Diest aan de voorslag moest aanpassen. Gielis Crauwels, kreeg 10 stuivers omdat hij “… die cloxkens vanden nieuwen voorslach sinter Plissis verbonden heeft om te accorderen”. Gedurende meer dan een maand werd de horlogemeester extra betaald om handmatig het uur en half uur aan te kondigen, omwille van de werken. Meester Jan, horlogiemaker te Mechelen, kwam het werk inspecteren. Nadien moest Blezere nog “een bemolle opten voorslach maeken”. Misschien gaat het hier over het aansluiten van de Sint-Annaklok, die kort tevoren uit de Sint-Annakapel was gehaald om bij de voorslag te worden gehangen. In elk geval had Diest in 1553 een klokkenspel van tenminste zes klokken.

Korte tijd na het inrichten van de voorslag kwam het gebruik van “beieren” bij feesten en plechtigheden in voege. Verschillende horlogemeesters volgden elkaar op om “met de cleyne clocxkens te beyarden”.

In 1601/1602 werd er zeven pond ijzerdraad aangekocht voor het horloge en de beiaard. Coenraed De Lauw, die op dat moment horlogiemeester van de stad was, werd in 1603 betaald om nieuwe noten te maken, het rad te verbreden en “die clocxkens te beteren aengaende de thoonen.” Of het hier gaat om nieuwe, niet nader genoemde klokken, of de klokken van Medart Waghevens die reeds 50 jaar tevoren niet deugden, is niet duidelijk.

In 1625 begaf burgemeester de Jonge zich naar Brussel om er de beiaard en de klokken van de Kapellenkerk te bezichtigen, met het doel de Diestse voorslag uit te breiden tot een beiaard. De jaren 1630-1660 waren echter noodlottig voor Diest. De “Resoluties van Weth ende Raedt” gaan hoofdzakelijk over inkwartiering van vreemde troepen en over brandschattingen door militaire overheden, zodat er van een nieuwe beiaard geen sprake was.

De Hemony-beiaard

In 1658 kocht het Norbertijnerklooster van Tongerlo een beiaard van 32 klokken, gegoten door Pieter Hemony. Het volgende jaar bestelde de Norbertijnerabdij van Averbode een beiaard van 23 klokken bij François Hemony in Amsterdam, die in 1662 geïnstalleerd werd. Het lag vrij voor de hand dat de naburige stad Diest, waar het kapittel grotendeels gevormd werd door kanunniken uit het klooster van Tongerlo, ook voor Hemony zou kiezen. In 1664 goot François Hemony een beiaard van 6250 pond voor Diest, maar blijkbaar had de stad geen geld of kwam er iets tussen, want er werd afgezien van de uiteindelijke aankoop.

In 1670 knoopte het stadsbestuur opnieuw onderhandelingen aan, nu met Pieter Hemony, nogmaals voor een beiaard van 6250 pond. Ondertussen werd de beiaardtoren grondig hersteld en vernieuwd om plaats te maken voor de 32 klokken.

De oude klokken werden in 1672 uit de toren verwijderd en in april van dat jaar als klokkenspijs (“6352 pont clockspijse”) per schip naar Pieter Hemony te Amsterdam vervoerd. Bij het passeren van de grens werd 9 stuivers en 10 oorden “swygende landtthol” betaald, maar de “licentien in Holland voor het uijtvoeren vanden bijaert” beliepen 111 gulden en 2,5 stuivers. Pieter Hemony goot de beiaard reeds op voorhand in 1671, na de onderhandelingen met het stadsbestuur van 1670. Zo moest schipper Jan Deliens maar één keer varen voor “het affvoeren en opbrenghen vanden oude en nieuwen bijaert.”

De klokken werden plechtig onthaald en in de kerk opgesteld voor de wijding door landdeken Theodorus van den Bossche uit Aarschot. Herman Corthuys, horlogiemaker uit Antwerpen, werd gehaald om de beiaard op te hangen. Hij was horlogiemeester van de kathedraal van Antwerpen, waar hij de kermisbeiaard (huidige beiaard) had geïnstalleerd. Corthuys leverde de hamers en klepels voor de nieuwe beiaard in Diest. Jan Masson, timmerman-beeldhouwer, maakte het klavier.

De zoon van Jan Jacobs, Christiaen Jacobs, en een zekere frater Lassens werden betaald “om op de clockskens te spelen voor kermisse” ter rekening van 6 juli 1672.

Uitbreiding van de beiaard

In 1724, het jaar waarin een nieuwe trommel werd besteld bij Jan de Hondt (zie verder Automatisch spel), werd Alexius Julien betaald voor het gieten van drie klokjes. Verder wordt hier echter geen melding van gemaakt. De vraag is of ze er ooit zijn gekomen, en of ze voor de beiaard bedoeld waren. Waarschijnlijk niet, want op 1 november 1750 besliste het stadsbestuur om de beiaard uit te breiden met vijf klokjes, “te weten ci, bemol, ut, utdieze, en re”, dus direct aansluitend op de reeks van Hemony, en zonder melding te maken van hersmelting. Het besluit moest echter 10 jaar wachten op uitvoering. Op 8 juni 1760 arriveerden de klokjes, besteld bij Andreas-Jozef Vanden Gheyn uit Leuven, in Diest. Vermits de c en d “manqueerden in hun consonant d’octave”, werden ze teruggestuurd naar Leuven. De klokjes die in de plaats kwamen, wogen elk drie pond zwaarder. De vijf klokjes werden opgenomen in het automatisch spel, want de archieven vermelden het vervaardigen van pinnen voor de trommel en het smeden van 13 tuimelaars en ander ijzerwerk.

Uitbreiding tot 40 klokken

Gedurende de volgende jaren werden er geen noemenswaardige veranderingen aan het klokkenspel aangebracht. Tijdens de Franse bezetting mocht de beiaard eerst nog gewoon spelen, maar vanaf 1797 enkel nog tijdens de marktdag op woensdag. Nadat de eredienst werd hersteld in 1801, werd de beiaard misschien opnieuw meer gebruikt, maar er wordt weinig over gesproken. Er blijft een stadsbeiaardier in dienst, die door de verfransing degradeert tot “sonneur des cloches” zoals het budget voor 1845 aangeeft.

In 1850 komt beiaardier Kennis ter sprake op de gemeenteraad, wegens moeilijkheden met zijn interimair, een zekere Colette, met de notie dat het Schepencollege dit verder moet oplossen.

In 1863 werden er kleine herstellingen aan de beiaard uitgevoerd door de firma Edward Michiels van Mechelen. In 1894-1895 werd het speelmechanisme volledig vernieuwd voor een totaal van 7000 BEF. Enkel de trommel en de klokken bleven bewaard, de rest werd vervangen. Misschien bleef het klavier ook bewaard, want in 1912 gelastte het stadsbestuur de firma Somers van Mechelen met een herstelling van de beiaard. Een nieuw klavier werd geplaatst en alle verbindingsdraden van klokkenspel en trommel werden vernieuwd. De firma Michaux van Leuven goot drie nieuwe klokjes (klaviertoon es4, e4 en f4), die het klokkenaantal tot 40 opvoerden. Op zondag 21 juli 1912 werd de herstelde beiaard plechtig ingehuldigd, met beiaardconcerten door Theo Vandeplas (stadsbeiaardier), Karel De Mette uit Aalst en Alfons Schynkel uit Oudenaarde.

De oorlogsjaren

Op 18 augustus 1914 werd de toren getroffen door een bombardement. Het uurwerk viel stil en alle verbindingen van de trommel werden vernield. Vier jaar lang zweeg de beiaard, maar de wapenstilstand was nauwelijks getekend of stadsbeiaardier Vandeplas nam weer plaats aan het klavier. De verbindingen van de trommel werden hersteld door de torenwachter, geholpen door enkele liefhebbers. In 1934 werd een Vanden Gheyn-klokje dat gebarsten was, hergoten door de firma Sergeys uit Leuven. Tijdens de oorlog van 1940-45 leed het kerkgebouw aanzienlijke schade, maar de beiaard bleef gespaard en werd niet opgeëist omwille van zijn ouderdom.

Restauratie in 1949-1950

Dankzij staatstoelagen kon het stadsbestuur na WOII overgaan tot een dringende restauratie van de beiaard. De firma De Mette uit Aalst kreeg de opdracht. Bij drie Van den Gheyn- en Hemonyklokjes werd de kroon afgeslepen en een gat geboord om zo aan een ijzeren balk te worden bevestigd. De drie klokjes van Michaux werden in 1949 hergoten door de firma Eijsbouts, die daarnaast ook nog drie nieuwe klokjes vervaardigde zodat het beiaardklavier uitgebreid werd met klaviertonen fis3, g3 en gis3. Een gebarsten Hemony-klok (nr 27, klaviertoon e3) werd in het stedelijk museum geplaatst en door een Eijsboutsklok vervangen. Door het herhaald toevoegen van klokjes was de opstelling van de beiaard onregelmatig en ingewikkeld geworden. Om meer ruimte en regelmaat in het opstellen te bekomen, werden vier zware klokken, die vroeger de lichtere klokjes overstemden, in de kap van de toren ondergebracht. In de open ruimte werden aan twee rekken, in regelmatige rijen, de andere beiaardklokken opgehangen met een eerste vorm van tuimelklepelsysteem. Er kwam een nieuw klavier en de drijfkracht van de trommel werd gemoderniseerd door het plaatsen van een elektrische motor. In 1964 werd een gebarsten Vanden Gheyn-klokje vervangen door een Petit & Fritsen-klok.

Restauratie in 1973

In 1973 werd een uitgebreide restauratie uitgevoerd door Jacques Sergeys (Leuven), onder advies van Gaston van den Bergh. Er werd besloten om de oorspronkelijke Hemony-beiaard van 32 klokken als basis te nemen. De klokken van Vanden Gheyn kwamen in het stadsmuseum terecht en de klokken van de overige gieters (Eijsbouts en Petit & Fritsen) werden verkocht of weggegeven. De gebarsten Hemony-klok nr 27 (klaviertoon e3), die eerder was vervangen, werd gelast en nam opnieuw zijn plaats in in de beiaard. Alle Hemony-klokken werden gezandstraald en herstemd, waarbij 0,7% brons verloren ging. Aan drie Hemony-klokken waarvan men in de loop van een vorige restauratie de kronen verwijderd had, werden dezelfde kronen als ten tijde van Hemony opnieuw aan de klokken bevestigd.

Sergeys goot 15 nieuwe klokken, met een eigenaardig lange steel. Waar er vroeger vier basklokken in de torenspits hingen onder de lantaarn, werden er nu acht gehangen zodat ze minder zouden domineren op het geheel. De overige 39 klokken werden verdeeld over de achthoekige lantaarn, terwijl de kleinste op de twee rijen binnenin werden opgesteld. Voor de ophanging werd roestvrij staal gebruikt.

Huidige situatie

Sinds 1952 is er geen vastbenoemde beiaardier meer. Op het moment is er zelfs helemaal geen beiaardier. Wel worden er tijdens de zomermaanden enkele bespelingen georganiseerd door de VBV, maar dat is geen oplossing. Het is te hopen dat een stad met zo’n rijk beiaardverleden alles in het werk zal stellen om een stadsbeiaardier te benoemen, zodat de beiaard opnieuw de parel van Diest en omstreken kan worden. De historische trommel uit 1728 met uniek notenbestand zou gerestaureerd en opnieuw in gebruik genomen moeten worden, net als het Michielsuurwerk uit 1895.

Automatisch speelwerk

In 1553 had Diest een nieuw horloge en trommel van Lambrecht Blezere, verbonden met een voorslag van zeven à acht klokken, en voorzien van vierentwintig noten. In 1601/02 werd de trommel verbreed en van honderd noten voorzien.

In de vergadering van de “Weth ende Raedt” van de stad Diest werd op 6 juli 1724 besloten om een nieuwe trommel en al de mechaniek die er bij hoort te bestellen aan “meester Jan de Hondt, inwoonder van Hilverenbeeck”. Niettegenstaande die op voorhand genomen inlichtingen en ook akten van borgstelling moest het stadsbestuur ervaren hoe traag het werk vorderde en steeds gevraagd werd om geld voor te schieten. Slechts na vier jaar, en na het betalen van 3472 gulden (met inbegrip van drinkgeld en fooien), kwam er vaart in de bestelling. In 1728 werd de trommel naar boven gedaan, en hielpen verschillende werklieden Jan de Hondt om de trommel aan te sluiten op de beiaard. Er werd een houten kast gemaakt met 271 vakjes om de bijbehorende pinnen in te leggen. Alleen al van dubbele noten waren er 210 soorten. In juli 1729 werden de laatste loodjes gelegd. De trommel is 1m60 lang en heeft een doorsnede van 1m55. Hij is samengesteld uit ijzeren latten. Er zijn 80 klavieren, 120 maten. In de metalen trommel zijn 9040 vierkante gaatjes aangebracht voor de noten. Het lijkt alsof pas in 1732 de trommel naar behoren kon functioneren, want er werden pas in dat jaar duizenden noten gemaakt en nogmaals verschillende werken aan de trommel gedaan.

In 1895 werden de hamers vervangen door Michielshamers. Reeds in 1904 werd de trommel slechts sporadisch verstoken, en was er geen budget voorzien. In 1914 vernielde een bombardement alle verbindingen. Na de oorlog werd de trommel hermaakt, maar slechts zelden verstoken. Bij de restauratie van 1974 werd hij buiten werking gesteld en vervangen door een elektromagnetische speel-inrichting met verwisselbare trommels. In 1996 werd dit speelwerk vervangen door een computerspeelwerk. De elektromagne-tische ijzeren hamers zijn nog dezelfde van 1974.

Historische curiosa

· Er zijn nog twee klokken bewaard gebleven van Peter I Vanden Ghein uit 1550 (Stedelijk Museum Diest)
· Vier klokjes van Andreas-Jozef Vanden Gheyn uit 1760, die bij de restauratie van 1973 uit de toren werden gehaald, staan eveneens opgesteld in het stedelijk museum. Daarnaast staat een klokje met vermelding “Amstelodami anno domini 1712”, met dezelfde versieringen als op de klokjes van Vanden Gheyn, waarschijnlijk van de opvolger van Hemony, Klaas van Noorden.
· De speeltrommel van Jan de Hondt uit 1728 en het Michielsuurwerk staan nog steeds op hun oorspronkelijke plaats in de toren, net als de versteekkast met bijbehorende dubbele noten. Naast de trommel staan nog twee losse versteekbakken met enkele noten.
· Versteeksleutel voor dubbele noten (zie afbeelding). De oorspronkelijke tekening bevond zich tot voor enkele jaren in de binnenwand van de versteekkast, maar is ondertussen afgescheurd en verdwenen.
· Vermist versteekboek van het beiaardiersgeslacht De Decker, met alle melodieën van 1729 tot 1812. Laatst vermeld in 1897 door Di Martinelli in “Diest in de 17de en 18de eeuwen”.

Tekst: Liesbeth Janssens

Belfort Dendermonde

Geschiedenis van de beiaard van Dendermonde

Belfort en stadhuis

De Dendermondse beiaard hangt in het belfort van het vroeggotische stadhuis, dat oorspronkelijk de lakenhalle was. Deze lakenhalle werd gebouwd tussen 1336 en 1350 en kreeg een belfort in 1377-78. In 1914 werd het stadhuis gebombardeerd, waarbij enkel het belfort en de muren overeind bleven. In 1920 werd de oorspronkelijke bouw hersteld o.l.v. Alexis Sterck. De 19de eeuwse vleugel werd gesloopt en in 1924 vervangen door een neogotisch gebouw van Fernand De Ruddere. In 1989 werden de buitengevels gereinigd. De beiaard hangt zichtbaar in de houten, octogonale spits boven de vierkante belforttoren.

De eerste voorslagen

In 1378 goot Jan de Leenknecht uit ‘Haerlebeke’ (Harelbeke) twee klokken voor het pas opgericht belfort: een uurslagklok en een “draperyschelle” om de lakenwevers bijeen te roepen. Jan Van Dilft vervaardigde een torenuurwerk. In 1403 werd dit vervangen door Frederik van Beerne. In 1474 werden de uurplaten vernieuwd door Hendrik De Boeck van Mechelen. Bij akte van 1524 verbond meester Geeraerd Coucke van Herzele zich een ander uurwerk met wekkers te leveren. Dit uurwerk werd geplaatst in 1529. Het wekkerspel bestond uit 6 klokken, gegoten in 1526 te Mechelen door de firma Waghevens. Als het uur moest slaan, kwam er een in hout gesneden man op het belfort buiten, en liet zo dikwijls de arm op en neergaan als er uren verlopen waren. De uurplaten waren toen lager geplaatst dan nu. Ze hingen boven de onderste vensters van de toren.

De Waghevensbeiaard (1548-49)

In 1548 bestelde de stad een nieuw uurwerk bij Pieter Inghels (Engels) uit Geeraardsbergen, die zich later vestigde in Dendermonde. Er werd een beiaardspel van 15 klokken aangekoppeld, waarschijnlijk gegoten door Jacob Waghevens uit Mechelen. De toen geleverde uurklok, met verscheidene heiligenbeelden versierd, droeg als opschrift: “Salvator ben ik gegoten van Jacop Wagevens Intjaer ons Heeren 1548”, en woog 3.471 pond (+/- 1.560 kg). Ze werd gegoten uit de oude uurwerkklok van 1526 en ander brons dat naar Mechelen was getransporteerd vanuit Dendermonde. Een tweede reden om de klokken toe te schrijven aan Jacob Waghevens is het feit dat de stad Oudenaarde in 1556 een beiaard bestelde bij Jacob Waghevens ter aanvulling op het horloge van Pieter Inghels, “naar het voorbeeld van dat van Dendermonde.” Er bestond dus een samenwerkingsverband tussen Inghels en Jacob Waghevens, getuige ook een contract met Mechelen uit 1557. Hier hoort nog een derde naam bij, nl. van Christophe Ruckers (familie van de beroemde klavecimbelbouwers), die de nieuwe beiaard in 1549 gestelt heeft, oftewel de inrichting -en versteek?- deed. Hij was organist en horlogemeester in Dendermonde en werd ook in Gent gevraagd om de beiaard te inspecteren om-wille van zijn reputatie in Dendermonde.zie 4 Gedurende de werkzaamheden aan beiaard en uurwerk moesten de inwoners het openbaar uur missen. Daarom werd een akkoord gesloten tussen het stadsbestuur en de kosters van de hoofdkerk om gedurende twee maanden elk uur de grote klok te laten slaan tussen 4 u en 20 u. In 1560 moet er zeker een klavier aan deze klokken zijn gekoppeld want in de stadsrekeningen van dat jaar lezen we dat een zekere Jan Ruylens op de klokken speelde en hiermee 2 pond per jaar verdiende. Dit klavier zou dus van de hand van Ruckers kunnen zijn.

Periode 1560 – 1732

Uit deze periode zijn, buiten de namen van enkele beiaardiers, over de beiaard geen gegevens bekend. Waarschijnlijk zijn deze verloren gegaan bij de brand van het stadhuis in 1914.

De Van den Gheynbeiaard (1732-40)

Tussen 1732 en 1740 kwam een beiaard van 40 klokken tot stand, gegoten door Peter VI Van den Gheyn (1698-na 1742). In de loop der jaren werden hergietingen uitgevoerd door Andreas Jozef (1727-1790).

In 1825 werden nog drie klokjes hergoten door Andreas (Lodewijk) Van den Gheyn (1758-1833), zoon van Andreas Jozef. Peter VI Van den Gheyn signeerde zijn klokken meestal niet met zijn voornaam. Opvallend is een klok uit 1740, gesigneerd met “Andreas Van den Gheyn”. Deze was toen slechts 13 jaar oud. Waarschijnlijk heeft hij mogen meehelpen met zijn oom Peter VI, die hem de klok liet signeren onder eigen naam. Deze beiaard werd door de Duitse troepen vernield op 18 september 1914 bij het bombardement van het belfort en stadhuis. Zestien klokken bleven gespaard. Hoewel de basklok werd gevorderd in januari 1918 door de Duitsers, konden de andere klokken en stukken verstopt worden.

Automatisch speelwerk

36 klokken van de Van den Gheynbeiaard waren verbonden met de rammel. De trommel had 54 hamers (of gaten in de lengte) en 90 maten (of gaten op de cirkelomtrek), goed voor 4860 gaten in totaal. De aria’s van de trommel werden om de vier jaar veranderd. In de periode 1914-1925 was er geen openbaar uur, rammel, of beiaardspel. Bij de Michaux-beiaard in 1925 hoorde een trommel met 60 hamers, verbonden met 35 klokken. In 1975 werd deze vervangen door een elektromagnetisch speelwerk en uitneembare trommeltjes met vaste melodieën, waarvan elke uurmelodie “Het ros beiaard” speelt.

De Michaux-beiaard – 1925

Na de oorlog, in 1918, moesten in Dendermonde alle openbare gebouwen heropgericht worden. Daarbij werden ook plannen gemaakt om de beiaard te herstellen. De overheid oordeelde echter dat de beiaard, die ze als luxe beschouwde, nog kon wachten. Toch vond het stadsbestuur een klokkenspel onmisbaar “tot de zedelijke heropbeuring van onze bevolking en het regelen van het uur” en drong aan bij de overheid. Op 2 april 1920 vroeg het stadsbestuur Jef Denyn een voorstel te maken. Emiel Loret, tot in 1914 stadsbeiaardier, kon met diens voorstel van 35 klokken geen vrede nemen. Hij stelde dat dit volstrekt ontoereikend was met het oog op het behoorlijk vertolken van muziek, temeer omdat alle beiaarden van enige betekenis 40 tot 48 klokken telden. Zo kwam er in 1925 een beiaard van 40 klokken: 25 nieuwe Michaux-klokken en 15 gerecupereerde Van den Gheyn-klokken, net zoveel als er vroeger geweest waren.

De inhuldigingsconcerten vonden plaats in augustus met Wilfried De Clercq (stadsbeiaardier), Theo Van den Plas (Diest), Karel De Mette (Aalst) en Robert Dierick (Gent). Over de Michaux-beiaard schrijft Gaston Van den Bergh het volgende:12 “Het werd echter geen succes. Want Omer Michaux was niet zulke bekwame klokkengieter zoals zijn voorzaten: Waghevens (Mechelen) en Van den Gheyn (Leuven). Nochtans kunnen we twee argumenten te zijner verdediging aanhalen: 1) Omstreeks het einde der 19de en begin der 20ste eeuw was de klokkengietkunst op een absoluut diepte-punt gekomen en omzeggens totaal verloren gegaan… Waar en hoe en van wie zou hij het klokkengieten geleerd hebben? […] 2) De restauratie van de beiaard van Dendermonde moest gebeuren op het budget van de “oorlogsschade”. Doch er was toen in ons land zoveel verwoest wat moest heropgebouwd worden, zodat de klokkengieter slechts een karig bedrag toegemeten werd, waarmede hij maar moest trachten de beiaard te redden en bovendien zijn bedrijf in leven houden. Dit lukte niet, tenzij hij hier en daar goedkoop en zelfs minderwaardig materiaal leverde, wat hij dan ook noodgedwongen moest doen. […] Michaux was er zich dan ook van bewust, dat hij de hem opgelegde taak niet behoorlijk vervuld had en nam zijn toevlucht tot andere middelen, want op zekere dag moest die beiaard van Dendermonde “gekeurd” worden door een “commissie” van deskundigen.

De klokkengieter ontving de keurcommissie heel minzaam, begon met hen enkele borrels aan te bieden en tenslotte was het gehele gezelschap in zulke “geestelijk verheugde stemming” gekomen, dat de toenmalige beiaardier, die de proef-bespeling moest doen, dronken van de beiaardbank op de vloer rolde, wat geen beletsel was om de beiaard goed te keuren. Een week later was hij in recordtempo op het Belfort te Dendermonde gemonteerd en speelvaardig. Jef Denyn gaf het inhuldigingsconcert. Hij was bij de keuring […] weerhouden door buitenlandse concerten. Na de eerst bespeling vroeg de toenmalige burgemeester, fier de borst vooruit: “Wel, meester Denyn, wat denkt ge zoal over onze nieuwe beiaard?” En de repliek kwam, kort en gevat in Mechels dialect: “Het zijn geen klokken, doch ketels, Mijnheer de Burgemeester!” Die ketels hebben er gehangen tot in 1950… ”

De Michielsbeiaard (1949-50)

De eerste contacten tussen het stadsbestuur van Dendermonde en de heren Michaux en Michiels met het idee om de beiaard te herstemmen, hergieten of alleszins weer als instrument te herwaarderen, dateren van 1934. Na heel wat over en weer geschrijf komt Michiels in 1945 met een voorstel van 43 klokken. Uiteindelijk kwam er in 1950 een nieuwe beiaard van 48 klokken met een totaalgewicht van 5.600 kg. De inhuldiging vond plaats op 8 oktober 1950. Paul De Nil (stadsbeiaardier), Staf Nees (directeur Beiaardschool) en Géo Clément (Doornik) verzorgden de inhuldigingsconcerten.

Deze beiaard werd in 1975 gerestaureerd door Jaques Sergeys uit Leuven. De 8 kleinste klokken werden vervangen door nieuwe en de beiaard werd aangevuld met een nieuwe basklok van 1.250 kg. Op 26 juni hingen de klokken opnieuw in de toren en op 11 en 21 juli vonden de inhuldigingsconcerten plaats door Paul de Nil en Pedro De Smedt.

De namen van de basklokken zijn genoemd naar deze van in 1925, waarbij Hilduardus en Christiana de patroonheiligen zijn, en Elisabeth en Albert de toenmalige vorsten. Opschriften: 1: “J. Sergeys goot mij te Leuven in het jaar 1975. Adviseurs: Piet van den Broek – stadsbeiaardier van Mechelen en zijn adjunkt Gaston van den Bergh” Salvator ben ic gegoten van Jacop Waghevens in ’t Jaer ons Heeren 1548 – Salvator werd ik opnieuw gegoten als basklok voor de beiaard van Dendermonde In opdracht van het stadsbestuur: Albert Cool, Burgemeester; Petrus Verhelst, Luc Wiemeersch, Clement Leybaert, Désiré Van Hoorde, Hubert Maes, Annie Hoornaert- Maes, Schepenen; François Beckers, stadssecretaris” 2. “De beiaard werd hergoten in 1949. Ik werd als zegeklok door de bevolking aangeboden der stad Dendermonde ter herdenking aan de Wereldoorlog 1940-1945. Fernand Poortmans, burgemeester, Alfons Goossens, Fernand Callens, Schpenen; Simon De Maesschalck, stadssecretaris; Fernand De Ruddere, stadsarchitekt. Me fudit Michiels jr. Tornai. Maria is mijn naam. De beiaard werd vernield 18 septmeber 1914 door de Duitschers. Hersteld in 1925. Alberic van Stappen, Burgemeester, Oscar Vermeersch, Emiel Van Winckel, Edmond Maffei, schepenen; Diomeed Grootjans, stadssecretaris; Fernand De Ruddere, stadsbouwmeester.”

Renovatie

Begin 2002 werd begonnen met de renovatie van belfort en beiaard. In een eerste fase worden de houten structuur van de torenspits, de beiaardiersloge en het dak grondig vernieuwd. In een tweede fase zullen beiaard, torenuurwerk en automatisch spel vernieuwd worden. Aimé Lombaert werd eind 2001 door de gemeenteraad aangesteld als adviseur en Clock-o-matic zal de restauratie uitvoeren. De doelstelling van de restauratie is het terugbrengen van timbre en kleur van de originele klokkenreeks, m.a.w. de Michielsbeiaard als instrument in ere herstellen. Ondertussen is een klankanalyse gebeurd door de firma Eijsbouts. Die zal een beeld geven wat er moet gebeuren om de beiaard terug als volwaardig instrument te laten klinken.

Beiaardiers van Dendermonde

· 1560-? Jan Ruylens (zie boven)
· rond 1650: Jan Denys15
· 1671-1681: Jan Morel
· 1681-1685: Jacop de Wespin
· 1685-1724: Romaan Schampaert (?-1724)
· 1724-1784: Antoon Loret (1705-1789)
· 1784-1844: Jan-Jozef Antoon Loret. (1757-1847) De kleinzoon van Antoon. Zijn vader, Jan Antoon, was beiaardier in Diksmuide. Jan-Jozef Antoon bespeelde, net als zijn grootvader, 60 jaar de beiaard te Dendermonde
· 1844-1895: Pieter Lodewijk Loret. (1803-1895) Deze zoon van Jan-Jozef Antoon bleef beiaardier tot zijn overlijden.
· 1895-1914: Emiel Loret. (1852-1934) Zoon van Pieter Lodewijk
· 1925-1930: Wilfried De Clercq (1897- ?) Hij kreeg les van Emiel Loret (tot 1914) en van Karel de Mette (in Aalst). Secretaris muziekacademie Dendermonde.
· 1930-1975: Paul De Nil. (1909-1983)
· 1975-1999: Pierre (Pedro) De Smedt (°1934)
· 1999-heden: Marc Van Boven (°1954)
-2015-heden: Lorenz Meulebroek

Tekst: Liesbeth Janssens

Onze-Lieve-Vrouwkerk Deinze

Geschiedenis van de beiaard van Deinze

Van de middeleeuwen tot 1986

In 1381 en 1382 werden halle (met stadsarchief), kerk en kloosters door de Gentenaren in brand gestoken. Deze ramp veroorzaakte het ontbreken van bescheiden die dateren van vóór 1400. Gelukkig kon het archief, aangelegd vanaf 1400, vermoedelijk grotendeels bewaard blijven (Alg. Rijksarchief Brussel, Rijksarchief Gent). De eerder schaarse doch interessante gegevens over uurwerk, klokken en beiaard danken we aan geduldige en competente vorsers zoals de heren Albijn Van Den Abeele, Achiel Cassiman, Herman Maes, Paul Huys e.a.

De beiaard zou niet op de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, maar op de Halletoren hebben gehangen. De halle stond, tot 1792, midden op de markt, was opgetrokken in gotische stijl en prijkte met 4 hoektorentjes. Bovendien zou er vóór de vernieling van 1580 nog een grotere toren als belfort hebben gediend. Deze toren was voorzien van een mechanisch uurwerk (vermeld in 1406) en een klok, de zogenaamde ‘scelle’, ‘slaepclock’, ‘ruustclock, ‘huerclocke’ (= uurklok), en later van enkele kleinere klokjes.

In 1435 valt het woord beiaard. Toen werd de vrede met Frankrijk gevierd. “1435 – Item, ghegheven Janne den Meye ende sinen gheselle dat si luudden metten clocken ende beijaerden ter prossesien ende messe die ghedaen waren om den poeys van Vranckerike…”

In 1484 levert meester Pieter Vleesch uit Ieper een uurwerk en zes klokken om in akkoord te spelen. De kerkbaljuw werd belast met het onderhoud van klokjes en uurwerk. We kunnen vermoeden dat de klokjes zijn verbonden met het uurwerk. Een klokkenspel!

In 1485 plaatst Jan de Poirtere uit Kortrijk zes mannetjes op de toren (van de halle) om te slaan op de klokken van ’t ‘appel’. Weer een bewijs van het bestaan van een nog zeer bescheiden klokkenspel of beiaard.

In 1515 herstellen Jan Van Spiere, “orlogemeester van audenaerde”, en Jan Wittevronghele (smid te Deinze) het uurwerk op de halle. Zij plaatsen tevens twee nieuwe wielen “om den voorslach te spelen”. De voorslagmelodieën worden uitdrukkelijk genoemd. Tijdens de paastijd weerklinkt vóór de uurslag het Regina Caeli en vóór het halfuur het Victimae paschali laudes. In de advent krijgen we als voorslag vóór het uur het Conditor Alme Siderum en vóór het halfuur een Benedicamus Domino. Over de melodieën van de overige periodes van het kerkelijk jaar zwijgen de rekeningen. Hier moet er weer een verband zijn met de kerk: de voorslagen zijn gregoriaanse melodieën.

Stilaan werd het aantal klokjes uitgebreid, vandaar meer mogelijkheden: langere voorslagen en, naast éénstem-mige melodieën ook meerstemmigheid. Te Deinze levert meester Jan Waghevens uit Gent in 1550 elf nieuwe klokjes. De zes uit 1484 werden hergoten en vijf nieuwe werden eraan toegevoegd. Op 26 maart 1550 komt de geboren Deinzenaar Hendrik van Zachmoortere, organist en orgelbouwer te Gent, samen met klokkengieter Jan Waghevens de vereisten van de nieuwe beiaard bespreken. Op 28 juli 1550 komt diezelfde Zachmoortere nogmaals naar Deinze om, samen met de organisten van de Sint-Niklaas- en Sint-Michielskerk te Gent, “te visiteren daccort” van de elf nieuwe klokken.

In 1572 werd de organist van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Deinze, Johannes Coperman, door de stad vergoed met 3 pond voor het “steken van liedekens op den voorslag van der huerclocke deser stede ende daerup somtijden ghespeelt hebbende …” Dus deze organist zorgde voor nieuwe voorslagen en speelde soms op de beiaard. Was er ook al sprake van “recitals” avant la lettre? Het is best mogelijk dat de beiaard in 1550 van een klavier werd voorzien, zoals dat bij zoveel andere reeds het geval was: 1510: Oudenaarde, 1532: Brugge, 1553 Gent enz. Het jaar 1580 betekende “de dood van Deinze”. Franse Hugenoten maakten zich schuldig aan gruwelijke misdaden en staken tenslotte op 6 maart 1580 de hele stad in brand. Uiteraard verstomde ook de beiaard in deze ramp. In 1632 was de halle herbouwd, met haar vier hoektorentjes maar zonder belfort. De beiaard werd niet meer hersteld, ook niet na de tragische brand van 1792 waarna de halle totaal werd gesloopt en, in 1840, vervangen door een stadhuis.

Positief advies

In 1986 was er opnieuw sprake van een beiaard. De eventuele plaatsing in de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk was al sedert 1980 onderwerp van gesprek. Nu men in deze kwestie een definitieve beslissing wilde nemen, werd aan de Culturele Raad, onder voorzitterschap van de heer H. Van Hoey, gevraagd te peilen naar de mening van de aangesloten verenigingen. Meer dan 50% van de verenigingen beantwoordde het enquêteformulier en van deze antwoorden was meer dan de helft positief. De meest voorkomende motivering voor het plaatsen van een beiaard was, dat het zou bijdragen tot de luister van de stad. Op deze wijze zou er iets van waarde opgebouwd worden voor de komende generaties. Verenigingen die negatief antwoordden, vonden dat in tijden van crisis en besparingen, een dergelijke uitgave niet verantwoord was. Daar de meerderheid echter positief stond tegenover de plaatsing van een beiaard werd aan het Stadsbestuur een gunstig advies overgemaakt. De Culturele Raad was van oordeel dat een beiaard een verrijking van het cultuur-patrimonium zou zijn en de stad aan aanzien zou doen winnen. De gemeenschap van vandaag mag en moet investeren voor de generatie van morgen. Geld besteden aan een cultureel project als dit, is op lange termijn zeker geen verloren geld. De nieuwe beiaard kwam tot stand dank zij het Stadsbestuur, de Dienst Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap en een 250-tal sponsors.

Een beiaard met groteterts-klokken

De beiaard die in de zomer van 1988 gegoten werd door de Koninklijke Eijsbouts klokkengieterij te Asten (NL) bestaat uit 37 grote tertsklokken. Deze majeurklok is een geheel nieuw type klok dat in 1983 door genoemde klokkengieterij, te samen met de Technische Universiteit van Eindhoven, ontwikkeld werd. Het gaat om klokken waarvan één van de voornaamste boventonen geen kleine of mineurterts met de hoofdtoon vormt, maar een grote of majeurterts. Reeds in de 19de eeuw probeerden Duitse gieters dergelijke klokken te vervaardigen maar pas dankzij de hedendaagse computer-technieken werd deze klok ook inderdaad gevonden. Dank zij de majeurterts ligt dit type klok gemakkelijker in het gehoor; zij laat tijdens de aanslag minder dissonanten horen dan de mineurklok. Vooral leken stellen dit bijzonder op prijs. De stad Deinze verrichtte een uitstekende daad door zo’n beiaard aan te brengen. De eerste beiaarden die door de Kon. Eijsbouts in dit type gemaakt werden, riepen bij sommige beiaardiers de wens op om toch wat dichter bij de klassieke klok te blijven. Dat is in de beiaard van Deinze voor het eerst gerealiseerd en met succes! De uitklinktijden zijn aanzienlijk langer dan bij mineurklokken: g1 = ca. 105 sec. i.p.v. 75 sec. Vanaf g4 zijn de uitklinktijden ongeveer gelijk. Ook de onderlinge verhouding tussen de boventonen is evenwichtig. Men mag stellen dat dit klokkenspel aangenaam en niet opdringerig klinkt, fraai is van klank en zuiver van stemming.

Op 29 oktober 1988 werd de nieuwe beiaard ingehuldigd. “Hij bezit alle kenmerken om de Deinzenaars met zijn heldere klanken aan zich te verplichten”, zei Dr.A. Lehr in zijn rapport.

In 1994 werden er nog eens 11 klokken aan de beiaard toegevoegd, wat het totaal op 48 klokken bracht.

Tekst: Aimé Lombaert

Stadhuis Damme

Geschiedenis van stadhuis en beiaard

Stadhuis

In 1134 teisterde een stormvloed onze kust. Er werd een dwarsdijk gebouwd aan het uiteinde van de Zwingeul. Aan deze “dam” ontstond een vissersdorp dat reeds in 1180 stadsrechten verwierf. Het stadje Damme ontwikkelde zich, o.m. dank zij het gegraven kanaal Brugge-Damme, tot een dynamische haven met heel wat “stapelrechten”.
Ondanks de verzanding van de Zwingeul (einde 13de eeuw) bouwde men toch een prachtig stadhuis (1464-1467), naar de plannen van de Brusselse steenhouwer Godevaert de Bosschere. In 1466 werd het torenuurwerk geplaatst. Het klokkentorentje en de klokkenstoel waarin vijf klokken hingen, werden geschilderd. In 1642-43 werd het torentje herbouwd, naar een ontwerp van Clement de Prince.
In het midden van de 19de eeuw stelde de provincie-architect P. Buyck een restauratiedossier op. Het duurde echter tot 1896 vooraleer deze restauratie afgerond was. Op 25 maart 1938 werden het stadhuis en de O.-L.-Vrouwkerk beschermd als monument.

Klokkenspel

In 1961 schonk een speciaal in 1960 opgericht comité, o.l.v. E. Van Caillie, F. van Hinsberg en V. Petitat, een “beiaard” van 25 klokken aan de stad Damme. Het installeren van die klokken kon niet doorgaan omdat het stadhuis grondig gerestaureerd diende te worden. Uiteindelijk begon men o.l.v. de Brugse architecten L. en P. Viérin aan een grondige restauratie (1978-1982). Het 17de-eeuwse klokkentorentje werd, na onderzoek en opmeting, volledig herbouwd. Op 14 mei 1982, 21 jaar na het gieten van de klokken, werd de “beiaard” door wijlen E. Delmotte, ere-stadsbeiaardier van Ronse en beiaardier van Oostende, via een pianoklaviertje, ingespeeld.
Frans van Hinsberg, kunstsmid, samen met notaris E. van Caillie en accountant V. Petitat, de drijvende kracht achter dit beiaardproject, restaureerde in 1959-1960 het historische uurwerk, vervaardigd door Brixius Vleesch (1459). Een verticale zonnewijzer uit 1849 siert de voorkant van het klokkentorentje.

Beiaard

De Uilenspiegelstad waar de Vlaamse dichter Van Maerlant (1235-1293) voor het 15de-eeuwse stadhuis zijn volk “toespreekt” (standbeeld van Bruggeling H. Pickery, 1860), bezit sinds 1994 een echte beiaard.
Zoals reeds vermeld zette het triumviraat Van Caillie, van Hinsberg en Petitat zich in om de “stomme” klokken uit 1961 over hun stad te laten klinken. In februari 1962 bekrachtigde het Provinciebestuur de Damse gemeenteraadsbeslissing van 21 augustus 1961 betreffende de aanvaarding van een “klokkenbeiaard” ten behoeve van het Stadhuis te Damme, geschonken door het “Comité voor het schenken van een klokkenbeiaard aan het Gemeentehuis te Damme”. De voorzitter van dat Comité was Ridder Pierre Van Outryve d’Ydewalle. Koning Boudewijn en koningin Fabiola, die in 1960 in het huwelijk getreden waren, werden bereid gevonden het peterschap te aanvaarden van de grootste klok, “de eerste en bijzonderste klok”. de koninklijke kroon siert deze klok.
Pas 21 jaar nadien, in 1982 werden de klokken ingehuldigd maar alle insiders wisten dat de beiaard maar een klokkenspel was: een beiaardklavier ontbrak. Andermaal trok Frans van Hinsberg, na ruggespraak met het stadsbestuur, op bedeltocht om “zijn” beiaard te realiseren. In 1986 slaagde hij erin om 6 klokken toe te voegen aan de 25 bestaande. Door zijn plotse overlijden in datzelfde jaar werden deze klokken niet opgehangen.

In mei 1991 werd de Brugse stadsbeiaardier Aimé Lombaert aangezocht om orde op zaken te stellen. Het renovatieproject omvatte verscheidene fases:
· renovering en herwaardering van de historische klokken om ze een uurslagfunctie te geven
· het klokkenspel volledig nakijken, aanpassen en optimaal laten functioneren via computersturing
· de toren beschermen tegen het indringen van vogels
· op termijn de beiaard uitbreiden tot een volwaardig concertinstrument van 35 klokken (het zijn er 39 geworden) én de installatie van een stokkenklavier in standaarduitvoering.

In 1992 werden de eerste drie fasen en de automatisering gerealiseerd. Het Stadsbestuur was tevreden en besloot ook het laatste onderdeel onmiddellijk te realiseren.
Het historische uurwerk, in 1959-60 vakkundig hersteld door van Hinsberg, werd n.a.v. de herstelling van het Stadhuis (1978-1982) stilgelegd en als historisch erfgoed bewaard. De nieuwe klokken werden gegoten door Eijsbouts (NL) en de technische installatie gebeurde door Clock-O-Matic (Holsbeek).
Dank zij de positieve houding en de inspanningen van het Stadsbestuur, de Dienst Openbare Werken o.l.v. H. Boone en B. Van Haecke, en de directeur van Toerisme Damme, B. Van Haecke, kon reeds op 23 december het inauguratieconcert plaatsvinden. In aanwezigheid van burgemeester L. Vandille, de voltallige gemeenteraad en tal van genodigden, gaf Eerste Schepen F. Dousselaere een historisch overzicht. Na een korte technische toelichting door beiaardier-adviseur A. Lombaert, kon F. Dousselaere het stokkenklavier in gebruik stellen. Het inauguratieconcert werd opgedragen aan de “vader” van de stadsbeiaard, F. van Hinsberg.

Tussen de 39 beiaardklokken zijn de oude uurslag- en halfuurslagklok opgehangen. Deze klokken behoren tot de oudste van Vlaanderen:
· uurklok: deze klok, ook “Zegeklok” genoemd, is in 1398 gegoten door de gebroeders De Leenknegt uit Harelbeke en weegt 744 kg. Het opschrift luidt: “anno d(omi)ni MCCCXCVIII tres fratres michi fecerunt. harelbeke”.
· de halfuurklok of de “klok der neringen” weegt 105 kg en werd in 1392 gegoten. Ze draagt als opschrift: + d(omi)ni MCCCXCII.

Sedert 1995 zijn er in juli en augustus op zondag beiaardconcerten. Ook bij speciale gelegenheden zoals de kaasmarkt of de boekenmarkt, en op officiële feestdagen weerklinkt de beiaard over Damme.
Net voor de eeuwwisseling, in 1999, werd de beiaard stilgelegd en het klavier ontmanteld: het dakgebinte van het Stadhuis zat vol klopkevers en diende gerestaureerd te worden. In 2000 waren de beiaard en het automatische speelwerk terug functioneel en nu is het stadhuistorentje een klinkende schakel in de keten van Zingende Torens in Vlaanderen.

Bronnen

* Damme, Vlaanderen – België, Toerisme Vlaanderen, 1998 Chris Weymeis: Het land van Uilenspiegel, Davidsfonds, Leuven, 2001
* Luc Devliegher, Het stadhuis te Damme, VVV Damme, 1982 B. Van Haecke, Het Damse klokkenspel, Brugse Gidsenkroniek, 1992
* P. Oyen, Zonnewijzers in Vlaanderen, VVV Rupelmonde, 1996

Tekst: Aimé Lombaert

Openluchtbeiaard Burcht

Geschiedenis van de beiaard

Ontstaan

Naar aanleiding van het 20-jarig burgemeesterschap van Paul Van Goethem besloot de gemeenteraad van Burcht in augustus 1967 om een “stalen openluchtbeiaard” aan te kopen. Drie firma’s werden aangeschreven om een prijsopgave te maken. Daaruit werd in zitting van 15 november 1967 besloten de opdracht aan Petit & Fritsen toe te vertrouwen voor het bod van 1.498.000 BEF, mits goedkeuring door de hogere overheid. Die kwam er op 19 maart 1968. De prijsopgave van Petit & Fritsen hield het volgende in:
A. 37 zuiver afgestemde bronzen beiaardklokken met als basis c2 – d2 – d3 – chromatisch – d5.
B. een volledige inrichting voor het handspel, omvattende een beiaardstokken-klavier volgens Mechelse standaard, beiaardklepels met mangaanbronsaanslag, een gericht uitgebalanceerd tuimelsysteem, waterkeringen, dradenrekken en roestvrij staaldraadverbindingen.
C. een volledige inrichting voor het automatisch spel voor 37 klokken, omvattende een bandspeelwerk met één gestoken muziekband, voorzien met 10 tot 12 aria’s naar keuze, 37 stuks magneet-hamers in stof/waterdichte uitvoering met montagesteunen en een schakelklok.
D. een pianoklavier, aangebouwd aan het onder C genoemde bandspeelwerk, voor het doen bespelen van de 37 klokken middels de elektromagneten.
E. een openlucht-beiaardstoel geschikt voor 37 klokken in profielstaal.

Inhuldiging

Alle klokken werden gegoten in 1968, en de gemeenteraad werd uitgenodigd bij de gieting van enkele klokken op 21 juni 1968. Op de grootste klok (c2) werd volgend opschrift aangebracht: 22 september 1968 / Paul Van Goethem / Burgemeester benoemd sedert 3.5.1947. Op de andere klokken staan buiten de gieter en het jaartal ook een volgnummer. Voor het ontwerp van de beiaardstoel werd architect L. Verstraelen uit Bonheiden aangenomen.
Op 22 september 1968 werd de 15 meter hoge openluchtbeiaard officieel ingehuldigd. Jo Haazen, die op dat moment stadsbeiaardier van Antwerpen was, werd aangesteld om de beiaard maandelijks te bespelen. Voor het onderhoud van de beiaard werd Horacantus uit Lokeren aangesteld vanaf 1 januari 1970.
Toen Jo Haazen in 1981 naar Mechelen trok, werd de beiaard een tijdlang bijzonder weinig bespeeld. Sinds 1989 verzorgt Ludo Van den Bos uit Borgerhout de sporadische bespelingen.

Opknapbeurt

In 2000 besloot het gemeentebestuur om de beiaard, die er niet meer zo fraai uitzag, te vernieuwen. Met de werken werd pas een aanvang genomen in mei 2001 door de firma Clock-o-matic, die sinds 1983 het onderhoud uitvoerde voor de beiaard. De klokken werden gedemonteerd en anders opgesteld, er kwam een nieuw klavier en de tractuur werd volledig vernieuwd (tuimelaars, bedrading, waterkering). De klepels bleven behouden. De stalen constructie die voorheen bordeauxrood was, werd herschilderd in koningsblauw. Op 10 juli jl. waren de werken beëindigd.

Automatisch speelwerk

Oorspronkelijk waren er 3 magneetbanden met elk 4 gestoken melodieën. Reeds twee jaar na de inhuldiging waren er moeilijkheden met het automatisch spel. In 1990 leverde Clock-o-matic uit Herent een computerspeelwerk met behoud van het oorspronkelijke pianoklavier om melodieën in te spelen. Bij de restauratie van 2001 bleef het computerspeelwerk uit 1990 behouden. Deze worden ingespeeld door Ludo Van den Bos.

Bibliografie

. D’HOLLANDER, Geert: “Burcht. Gemeentebeiaard” in Beiaarden en torens in België. uitg. Ludion, Gent, 1994. p.88.
. HAAZEN, Jo: “De beiaarden van Borgerhout, Burcht en Kiel” in .De Zingende Toren, uitg. De Vlijt, Antwerpen, 1979. p.136-137
. MARCKX, Rik: “Burcht” in De vuisten met liefde gebald, uitg. Face to face, Mechelen 1998, p.44: foutieve vermelding van 36 klokken ipv 37.
. Gemeente-archief Burcht, Beiaarddossier 1967-1970.

Tekst: Liesbeth Janssens

Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal Brussel

Geschiedenis van de beiaard

Beginperiode

De kerk was eerst gewijd aan de patroonheilige Sint-Michiel, maar later werden de relieken van Sint-Goedele overgebracht naar de Sint-Michielskerk zodat de kerk een dubbele patroonsheilige kreeg. Het oudste document dat deze kerk vermeldt, dateert uit 1047. De huidige kathedraal werd begonnen op de overblijfselen van dit gebouw in 1226, en werd pas na meer dan 2 eeuwen voltooid met de Zuidertoren (1451) en de Noordertoren (ca. 1475).
Er zijn bitter weinig archiefstukken uit de 15de en 16de eeuw die melding maken van een beiaard. Men kan vermoeden dat in 1534 er een handbespeelde beiaard was, aangezien er toen meer dan 10 klokken zouden geweest zijn waaronder twee van Simon Waghevens (Gudila, 1485; Benedictus, 1486) één van Thierry Guldenborch (1532) twee van Medardus Waghevens (Gabriël en Medardus, 1534) en andere onbekende. Uit de verdere 16de eeuw is er slechts één document specifiek over beiaard: een ordonnantie uit 1573 die aanstipt dat de beiaard slechts mag benut worden bij speciale feesten. Hier kan men stellen dat het om het bespelen van de beiaard gaat, want anno 1573 was dit al lang geen nieuwigheid meer in de Nederlanden.
Tijdens de beeldenstorm (1579-81) werden verscheidene klokken beschadigd en weggehaald, maar minstens 4 beiaardklokken bleven behouden: Gudila, Benedictus, Gabriël en Medardus.

Uitbreiding tot 2 octaven

Rond 1600 werd de beiaard opnieuw aangevuld en uitgebreid tot twee octaven, waarvan het merendeel van Jan Grognaert (Bergen) en Thomas Tordeur (Nijvel) (1606). Uit 1606 en 1608 dateren de eerste versteken, gemaakt door Antoine Allard (1606), Jeronimus Livens (1606) en Jan de Sany (1608).
In 1648 vroeg de beiaardier om verdere uitbreiding van de beiaard. In 1652 werden drie nieuwe klokken geleverd door Anthoen Reynault. In 1664 hergoot Lambert Borgherijnck de Gabriëlklok en in 1693 hergoot Daems (Leuven) een kleine klok.

Uitbreiding tot 3,5 octaven

Tijdens de achttiende eeuw kende de beiaard van Sint-Goedele zijn grootste uitbreiding onder impuls van Jan Bernard Vanden Boom, kanunnik en cantor, een groot muziekliefhebber en mecenas die concerten, muziekpartituren en instrumen-ten bekostigde voor Sint-Goedele.
De beiaard werd grotendeels gegoten door de Leuvense klokkengieter Andreas Jozef Van den Gheyn tijdens de periode 1762-1767. De achttien klokken die werden toegevoegd in april 1762, werden alle gesponsord door kanunnik Vanden Boom. Het middelste octaaf werd hergoten, en het laagste octaaf werd aangevuld en aangepast. De omvang was nu: c1 – d1 – e1 – f – chromatisch – f4. Alle woensdagen moest er beiaard gespeeld worden “voor de misse van Sinte Sebastiaen”. Nog geen dertig jaar later, in 1793, werd hij onder leiding van Napoleon weggehaald en omgesmolten. Enkel de luidklokken mochten blijven hangen. Tot zover was de beiaard steeds eigendom van de kerk geweest. De stadsbeiaard was immers in de Sint-Niklaaskerk gevestigd (tot 1714).

Stadsbeiaard

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden volgende luidklokken opgeëist: Maria (1773), Gudula (hergoten in 1818) en Michael (hergoten in 1818). De Duitse klokkenlijst maakte ook melding van een anonieme klok ‘Roelant’ uit 1731 die in Sint-Goedele als luidklok mocht blijven hangen. Geen enkele andere bron vermeldt deze.
Hoewel Staf Nees al in 1948 en nogmaals in 1954 ontwerpen maakte voor een nieuwe beiaard, werd de eerste nieuwe klok pas gegoten in 1958, de volgende 4 in 1967, en het duurde tot 1975 voor er een nieuwe beiaard kwam van 49 klokken, gegoten door Eijsbouts, in eigendom van de stad. Speeltrommel De oudste verwijzing naar een automatisch klokkenspel dateert van 1492-93, toen Jan Van Heerne belast werd de klokken te versien ende aan een windeken te stellen om te beyaerden. Toen de beiaard in 1606 uitgebreid werd naar 2 octaven, lijkt het logisch dat er ook een nieuwe speeltrommel werd vervaar-digd. Documenten hieromtrent bestaan echter niet, buiten de vermelding van het versteken van melodieën in 1606 en 1608 (zie “beiaardiers”). Bij de uitbreiding van de beiaard door Andreas Jozef Van den Gheyn, noteerde rentmeester Finet van de kerkfabriek dat meester groffsmedt Niklaas Tiry van april tot 10 mei 1762 aan de clepels, tuymelaers, haemers, stelen ende treckers werkte. Verder specifieert hij dat de trommel uit 5.586 gaten bestond en 49 klavieren omvatte en 114 maten.
In 1793 werd deze samen met de klokken op bevel van Napoleon uit de toren verwijderd.
In 1975 werd een automatisch spel met magneetband geïnstalleerd dat het begaf tegen 1992. Momenteel heeft de beiaard een computergestuurd automatisch spel geïnstalleerd door Eijsbouts dat elk kwartier speelt.

Beiaardiers

Er is helaas over geen enkele beiaardier met zekerheid te zeggen hoeveel jaar hij in dienst was. De weinige beschikbare tijdsdocumenten geven slechts een hint:
· 1606: Antoine Allard versteekt een liedeken
· 1606: Jeronimus Livens bewerkt ‘Den lustelijcken May”
· 1608: Jan de Sany versteekt diverse ‘liedekens’ en een bewerking van het ‘Tantum Ergo’ (beiaardier van de Sint-Niklaaskerk)
· 1662: Guilliam Nijs ondertekent een document met ‘beijaerder’
· 1666: Paul Nijs versteekt ‘Veni Creator Spiritus’ (beiaardier van de Sint-Niklaaskerk)
· 1762: beiaardier Reindre
· 1777: klokluider en/of beiaardier Mathias de Parck7
· 1981-2000: Paula Van de Wiele .

Tekst: Liesbeth Janssens

Paleis der natie (Federaal Parlement Brussel)

Geschiedenis van de beiaard

Het gebouw

De architect van het “Huis van de parlementsleden” heet toevallig H. Beyaert. Het gebouw werd herbouwd tussen 1883 en 1886 na een brand in 1883. Eerst werd het gebruikt door de Nationale Maatschappij van de Belgische Spoorwegen tot het in 1988 ingericht werd als kantoor-, vergader- en ontspanningsruimte voor de leden van het Belgische parlement. In het gebouw is de Vlaamse Raad gevestigd.

Drie-octaafsbeiaard

Oorspronkelijk maakte de Commissie voor de Parlementaire gebouwen voor het eerst plannen in 1984 voor het plaatsen van een klokkenspel van 9 klokjes. Deze werden gegoten in 1985. In 1987 werd Jos D’hollander gevraagd een Parlementshymne te schrijven voor het klokkenspel. Hij kon de toenmalige voorzitter van de Raad der Quaestoren van het Parlement, Stan De Clercq, overtuigen dat deze opdracht slechts volwaardig kon vervuld worden indien hij minimum over een twee-octaafs klokkenspel kon beschikken, maar bij voorkeur een drie-octaafs. Hij diende een voorstel in om een zichtbaar klokkenspel van 37 klokken met cabine te monteren op het plat dak van het Huis van de Parlementsleden.
Hoewel hij wel het initiatief kon doordrukken, kon hij geen adviseur zijn. De dispositie van het klavier werd doorgeschoven naar de voorzitter van de Belgische Beiaardiersgilde, Noël Reynders, die plichtsbewust de maten van het boekje doorspeelde: c-pedaal onder fis-manuaal.

Van weinig naar niets

Tegen het einde van augustus 1988 was de beiaard klaar en stelde Jos D’hollander twee wekelijkse bespelingen voor, naast het spelen op feestdagen, zowel de nationale als Vlaamse en Waalse. Er kwamen nooit wekelijkse bespelingen. Sporadisch werd een concert gegeven door Jos D’hollander, zoals op de eedaflegging van Koning Albert II op 9 augustus 1993, en de Opening van het Parlementair Jaar op 12 oktober 1993. Aangezien de beiaard “beheerd” wordt door de quastuur van de Senaat, waarvan de voorzitter elke vier jaar verandert, nu een Vlaamse dan weer Waalse, vraagt het kunst- en vliegwerk om een continuïteit in beiaardinteresse op te bouwen.

Heropbloei

Toch is er de laatste jaren een continuïteit in de beiaardbespelingen en zijn er bespelingen voorzien op onze feestdagen. Er is een afwisseling tussen Vlaamse en Waalse beiaardiers.

Tekst: Liesbeth Janssens

Belfort Brugge

Geschiedenis van de beiaard

Het belfort

De bouw van de eerste Brugse hallen en het belfort werd aangevat rond 1240. Ze werden onmiddellijk in steen opgetrokken. Omstreeks 1280 waren de hallen en twee vierkante torengeledingen klaar. De toren was bekroond met een houten constructie waarin de gemeenteklok was opgehangen.
Op 15 augustus 1280 viel het gebouw ten prooi aan de vlammen en brandde de houten bekroning af. Rond 1300 was de herstelling zo goed als klaar en rond 1364 begon men aan de bouw van de zuidelijke hallenvleugel, de “oude halle”. Reeds in rekeningen van 1292, 1300 en 1303 vinden we vermeldingen van de bruudsclocke die, zoals haar naam vermeldt, diende om de huwelijken van de notabelen uit de stad aan te kondigen. Daarnaast was er de scepenscelle die gebruikt werd om de magistraten ter zitting op te roepen. De wercclocke luidde viermaal per dag. Zij kondigde het begin en het einde van de werktijd aan en ook het openen en sluiten van de stadspoorten. De belangrijkste klok was de triomfclocke of gemeenteklok die bij alle droevige en feestelijke gelegenheden geluid werd. Zij luidde alarm bij gevaar, brand of oorlog maar werd ook geluid bij de intrede van koningen en graven. Ook gaf zij het sein tot het voorleggen van de jaarlijkse rekeningen, de vernieuwing van de magistratuur, de opening van de jaarmarkt, de Heilige Bloedprocessie en het nieuwe kerkelijke jaar.
Rond 1450 werd aan de marktkant een uurwerk aangebracht. Het uitzicht van het belfort zoals wij het nu kennen, dateert van het einde van de 15de eeuw. De achtkant werd afgewerkt in Brabantse zandsteen en de houten spits werd bekroond met een beeld van Sint-Michiel met banier in de hand en de draak onder de voeten.
Op 25 januari 1493 sloeg de bliksem in. Het vuur vernielde het houtwerk, de klokken smolten en het beeld van Sint-Michiel stortte naar beneden. Toen de spits hersteld was, koos men als bekroning een klimmende leeuw. In 1542 herbouwde men de centrale poort aan de kant van de markt. Rond 1560 werden de muren van de binnenkoer vernieuwd en rond 1715 werden de hallenvleugels overwelfd.
In 1741 werd het Brugse belfort voor de derde keer door brand getroffen. De toren werd hersteld en in 1822 werd de laatgotische kroon geïnstalleerd. Daar-mee verdween de houten spits voorgoed.

De beiaard

In 1528 werd er een reeks van elf klokken gegoten door Jacob Waghevens, die moesten dienen voor het voorspel of de wekkering. Deze voorslag werd in 1533 manueel bespeeld door Adriaan Van Der Sluus. Hij ontving daarvoor XXV scellingen grote per jaar en is daarmee de eerste Brugse beiaardier.
In 1603 leverde Marc Le Serre een nieu accort van 20 klokken en in 1631 kwamen er nog eens zes klokken bij.
Vanaf 1672 wilde men in Brugge een nieuwe beiaard van 35 klokken. Pieter Hemony uit Amsterdam kwam in 1673 naar Brugge om zijn voorstel te verdedigen maar de stad eiste dat de klokken in Brugge zouden gegoten worden. Pieter Hemony vertrok zonder opdracht. Melchior De Haze kreeg in 1675 de opdracht voor een beiaard van 35 klokken die 44.626 pond moest wegen, waar in 1681 nog 4 klokjes bijkwamen. Dat gebeurde op advies van de Gentse pater Wyckaert, bekend door zijn nog bewaard gebleven versteekboek, die in Gent reeds een beiaard van 40 klokken ter beschikking had.
De beiaard verdween echter in de brand van 30 april 1741: 39 klokken, een 20.200 pond zware H.-Bloedklok en een trommel gingen verloren.
Datzelfde jaar kreeg de Antwerpse klokkengieter Georgius (Joris) Dumery (1715-1787) de opdracht een nieuwe beiaard te gieten en een nieuwe H.-Bloedklok. Dat was het begin van een samenwerking tussen de stad Brugge en het geslacht Dumery die tot vandaag sporen nalaat. Immers, het grootste gedeelte van de huidige beiaard bestaat uit de oorspronkelijke Dumery-klokken en talrijke andere klokken in Brugge dragen de signatuur “Georgius Dumery me fecit”.
Joris Dumery deed op 19 juni 1741 een voorstel aan het Brugse stadsbestuur “… een carillon te gieten ten dienste van deselve stadt in syne perfectie, ende alle de clocken egael van gheluyt ende armonie, soo goet als er een sal te vinden syn; my verobligierende deselve clocken te doen hebben alle hunne juiste qualiteyten bestaende in enen forssighen bourdon, juste octave, cleyne tierce, quinte ende juste super octave; soodanigh dat het gheheel carillon onverbeterlick sal syn, als de eene clocke soo goet, delicaet ende armonieus moeten syne als de andere …”
Eén van zijn voorwaarden was echter dat hij een gieterij ter beschikking kreeg in Brugge, wat hem toegestaan werd.3 Einde 1741 begon Dumery met het hergieten van de gesmolten klokkenspijs, maar geen van die eerste klokken voldeden omdat er te veel lood in geslopen was bij de brand. Aangezien Dumery geen schuld had aan de minderwaardige klokkenspijs, en hij meer dan anderhalf jaar gewerkt had, werd hem een schadevergoeding betaald. De klokken werden verkocht.
Tussen 1742 en 1745 goot Dumery alle nieuwe klokken. Voor de bekostiging van deze aanzienlijke uitgave kon de stad Brugge, naast haar eigen fondsen, ook rekenen op de steun van instellingen en particulieren. Zij tekenden massaal in op speciale “obligaten”, ten voordele van de heropbouw van de toren, de herstelling van het uurwerk, de H.-Bloedklok en de beiaardklokken.
Op 2 februari 1746 werd de beiaard ingespeeld door stadsbeiaardier Adriaen Leemans. Op 2 juni echter klaagde hij reeds over de slechte staat van de beiaard. Aangezien ook een nieuw horloge en een nieuwe trommel gemaakt moesten worden, werd de beiaard pas in augustus 1748 definitief gekeurd, nadat er nog 2 klokken hergoten waren. Het eindverslag, de goedkeuring en aanvaarding ervan werden ondertekend door de vier beste beiaardiers van die tijd, nl. Jan-Jozef Colfs van Mechelen, Joannes de Gruytters van Antwerpen, Pieter-Jozef Le Blan van Gent en Boudewijn Scheepers uit Aalst.

Tot 1939 bleef de Dumerybeiaard ongewijzigd. In dat jaar werden 15 kleine klokjes door klokkengieter Michiels uit Doornik door nieuwe vervangen maar zij gaven geen voldoening. In 1969 werden ze, samen met nog 6 andere, hergoten door de Horacantus-Eijsbouts uit Asten (NL). In 2010 werd de beiaard gerestaureerd: na reiniging, klankanalyses en correctie-bijstemmingen van de Dumery-klokken werden de 21 niet historische klokken vervangen door nieuwe klokken die nu perfect aansluiten bij de historische reeks uit de 18de eeuw (Kon. Eijsbouts). Bij deze restauratie (Clock-o-Matic) werd ook het klavier vernieuwd, werden nieuwe, zwaardere klepels gemonteerd en kreeg het automatisch speelwerk een grondig onderhoud.

Automatisch speelwerk

Volgens sommige bronnen zou Brugge reeds in 1396 een uurwerk met voorslag gebruikt hebben. De stadsrekeningen van 1419 waarin zeer nauwkeurig de inkomsten en uitgaven staan opgetekend, vertellen dat aan smid Hubrecht Perre een bedrag werd uitbetaald “voor het leveren van stalen pennen ende tuimelaars voor de clocken van de Brugse hallen”. Vanaf 1421 werd er ook een onderscheid gemaakt tussen clocken en scellen, waarbij scellen steeds in combinatie met het uurwerk gebruikt werd. Zo weten we of er al dan niet een voorslag was.
Na de brand van 1493 leverde Simon Waghevens een nieuwe uurklok met appeelen daertoe. Er was dus duidelijk een voorslag aanwezig. In 1528 leverde Jacob Waghevens elf scellen “van accorde omme tmaken vanden voorslaghen van der oorloge up de halle”.
In 1603 werden de bestaande scellen vervangen door een nieuw klokkenspel van 20 klokken. Adriaen Van Troostberghe, horlogiewerckere, leverde de nieuwe trommel, noten, klavier, hamers en assen. Nicolaas Helewaut, de zesde beiaardier, stak de nieuwe aria’s op de trommel. 72 jaar bleef deze trommel in gebruik. In 1675 vond uurwerkmaker Jean Pauwels, volgens zijn verklaring, de trommel in duusent stucken. De befaamde Antwerpse klokken-gieter Melchior De Haze kreeg nu de opdracht om niet alleen de trommel maar ook een nieuwe volwaardige beiaard te leveren. Met het gieten van de trommel liep het grondig fout. De eerste poging mislukte en de twee volgende leverden geen aanvaardbaar product op. Gilles Moerman bracht ten slotte deze niet alledaagse opdracht tot een goed einde in 1678.
Jean Pauwels maakte, op aanwijzingen van de Gentse musicus pater Wyckaert, 108 rijen van 90 gaten in de trommel die nodig waren voor het vastzetten van de pinnen of nokken. In 1681 stak pater Wyckaert de aria’s op de trommel.
Zestig jaar later, tijdens de brand van 1741, verdwenen de beiaard, het uurwerk en de trommel met 19.449 gaatjes in de vuurpoel. Terwijl Joris Dumery een nieuwe beiaard en trommel goot, leverde zijn schoonbroer Antonius De Hondt het uurwerk en het volledige mechanisme voor de voorslag.
De ongeveer 9000 kg wegende trommel is een echt huzarenstuk. Hij heeft een diameter van 206 cm en een wanddikte van 5 cm. Er zijn 122 rijen gaatjes, goed voor het in beweging brengen van 122 hamers. Er zijn 250 openingen per rij, samen dus 30.500 gaatjes. Een gewicht van 1500 kg brengt dit gevaarte aan het draaien. De voorslag krijgt zijn opdracht van het monumentale uurwerk met een slinger van 78 kg die 3 m lang is. Een ingenieus systeem van nokken, verbindingsdraden, tuimelaars en terugslagveren zet de 122 hamers aan het werk.
Deze hamers zijn als volgt verdeeld over 37 klokken van de 47 klokken tellende Dumerybeiaard:

· 1ste octaaf: 25 hamers op 10 klokken (gis en bes ontbreken)
· 2de octaaf: 44 hamers op 12 klokken
· 3de octaaf: 44 hamers op 12 klokken
· 4de octaaf: 8 hamers op 3 klokken (de rest van het octaaf wordt niet gebruikt voor de voorslag).

Dit merkwaardig historisch ensemble is een staaltje van echt vakmanschap van 18de-eeuwse ambachtslieden, dat jaarlijks door meer dan 200.000 bezoekers bewonderd wordt. Dagelijks tussen 8 en 21 uur brengt het Dumery-Dhondt automatische klokkenspel om het kwartier een melodie ten gehore. Deze melodieën worden om de twee jaar door de stadsbeiaardier verstoken.

Overzicht Stadsbeiaardiers

1533-1537 Adriaen Van der Sluus Adriaen Thonus, hulpbeiaardier
1537-1546 Adriaen Thonus
1546-1548 Hubrecht Noppe
1548-1554 Hans Roos(e)
1554-1604 (geen gegevens beschikbaar)
1604-1632 Nicolaes Helewout
1632-1633 Jacques Duquesne
1633-1642 Nicolaes Lalo(o)
1642-1649 Valentijn Ywens (Hebbens)
1642-1643 Alphonse Verschrieck, hulpbeiaardier
1649-1681 Jean Lais
1681-1688 Pierre Mahieu
1688-1690 Jean Lais
1690-1720 Antoine Collé
1709-1717 Boudewijn Bollengier, hulpbeiaardier
1714-1718 Ignaas Van Hecke, hulpbeiaardier
1720-1734 Boudewijn Bollengier
1734-1737 Jean-Baptiste Baguenrieux
1737-1750 Adriaan Leemans
1748-1750 Jean Leemans, hulpbeiaardier
1750-1753 Jean Leemans
1753-1786 Jerome Leemans
1786-1807 Henderyck Fromont
1807-1838 Dominique Berger
1838-1864 Louis Hubené
1864-1876 Remi Berragan Eduard Dupan, hulpbeiaardier
1876-1913 Eduard Dupan Arthur Blondeel, hulpbeiaardier
1913-1949 Antoon Nauwelaerts
1931-1949 Louis Nauwelaerts, hulpbeiaardier
1949-1984 Eugeen Uten
1954-1957 Paul Vanden Abeele, hulpbeiaardier
1958-1978 Christiaan Poppe, hulpbeiaardier
1979-1984 Aimé Lombaert, adjunct-stadsbeiaardier
1984-2008 Aimé Lombaert
1984-2008 Frank Deleu, adjunct-stadsbeiaardier
1996-2008 Jean-Pierre Hautekiet, plaatsvervangend beiaardier
1996-2008 Geert Stubbe, plaatsvervangend beiaardier
2008-2021 Frank Deleu, stadsbeiaardier
2008-2022 Jean-Pierre Hautekiet, adjunct-stadsbeiaardier
2008-2021 Wim Berteloot, assistent-beiaardier
2021-heden Wim Berteloot, stadsbeiaardier
2022-heden Brecht Berteloot, adjunct-beiaardier

De Brugse stadsklok

In de beschrijving van de brand in het belfort van 1280 lezen we dat de stadsklok door de zoldering van de schatkamer gevallen was en beschadigd werd. Deze beschadigde klok hing vóór 1284 in een voorlopig gestoelte op de markt. In 1290 goot men een nieuwe klok die reeds in 1296 in het herstelde belfort werd opgehangen. Tot 1493 vinden we geen spoor van een andere stadsklok maar de brand van 25 januari 1493 vernielde opnieuw de klokken.
In 1496 kwam een akkoord tot stand met Simon Waghevens uit Mechelen. De stad leverde een oude, niet meer gebruikte werckclocke van 1570 pond en een andere van 856 pond, plus ongeveer 1000 pond mitraillen of oud koper. Daarbij kocht men nog Engelse tin. Deze klok scheurde in 1525 en weer werd Waghevens aangeschreven voor het gieten van een nieuwe klok “van zulcke grootte ofte meerdere dan de clocke die gheschuurt is”. Deze stadsklok die de naam “Pays” kreeg, naar aanleiding van de in dat jaar gesloten vrede tussen Keizer Karel V en de koningen van Frankrijk en Engeland, zou het 150 jaar uithouden.
In 1675 werd de stadsklok die een breuk aan de kroon vertoonde, te koop aangeboden, maar ze vond geen koper. Ze werd hergoten door Melchior De Haze die ook de nieuwe beiaard goot. In 1683 werd de nieuwe klok in gebruik genomen maar reeds in 1718 was ze gebarsten. Willem Witlockx uit Antwerpen werd met het gieten van een nieuwe klok belast maar bij de keuring ontstonden hevige discussies omdat er belangrijke afwijkingen waren in afmeting en gewicht. In het contract stond nl. dat de klok ongeveer 16.000 pond zou wegen, maar in werkelijkheid woog ze meer dan 20.000 pond. Men vreesde dat het gewicht de stevigheid van de toren zou aantasten, “jae selfs de selve torre in pericle stellen haere totale ruyne ende ingevallen ofte overvallen.”10 Pas na 20 jaar (1739) werd ze in het belfort opgehangen.
De vreugde was van korte duur want in april 1741 brak er opnieuw brand uit in het belfort. Op 4 oktober 1741 had Joris Dumery reeds een nieuwe stadsklok gegoten met slagtoon G, maar zij voldeed niet omdat ze teveel lood bevatte. In 1743 goot hij weer een nieuwe. De “zwarte hand” bleef echter de geschiedenis van de stadsklok bepalen: bij het tweede bezoek van Lodewijk XV aan Brugge in 1745 barstte de klok bij het luiden. De volgende jaren moesten de Bruggelingen het doen met de minder glorieuze toon van de uurklok.
In 1800 stuurde de prefect een opeisingsbevel naar de proost van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Brugge voor de allerschoonste klok van de stad genaamd Maria. De opgevorderde klok was ook een product van Melchior De Haze uit 1680. Deze klok Maria (G) vormde een machtig groot akkoord met de klokken Bonifaas (Es) en Gaspar (Bes). Het schenden van dit driegeluid en het gebruiken van een gewijde klok in het belfort gaf aanleiding tot groot protest. Volgens de meeste auteurs klepte de oude klok voor het eerst in haar nieuwe functie in 1802. Ze heeft een diameter van 2,06m en weegt ongeveer 6000 kg. Het is nog altijd deze drie eeuwen oude bronzen stem die bij speciale gelegenheden over Brugge klinkt.

Curiosa

Voor de Dumerybeiaard schonk het College van het Brugse Vrije – het ommeland rond Brugge – de grote klok (5378 kg) met als toon G0 die ook het uur aangeeft (klok 1). Zij draagt de letters SPQF (Senatus Populus-que Franconatus = het bestuur van het Volk en het Vrije).
Klok 2 (de halfuurklok) en de klokken 3 en 4 dragen het wapen van de stad Brugge, gehouden door beer en leeuw. Ook particulieren tekenden vanaf 1741 massaal in op speciale “obligaties, ten voordele van de heropbouw van de toren en de herstelling van het uurwerk, de H. Bloedklok en de beiaardklokken. Daarnaast deden ook een hele reeks ambachten en neringen aanzienlijke giften. Zij werden met naam en wapenschild vereeuwigd op de klokken. De timmerlieden deden eveneens hun bijdrage maar dan wel in natura: zij leverden het hout waaraan de klokken opgehangen werden.

Bibliografie

· Beiaarden en torens in België, Ludion Gent, 1994
· Beiaardkunst in de Lage Landen, Lannoo, Tielt, 1991
· Brugge, belfort en beiaard, M. Van De Wiele Brugge, 1984
· Eigen notities en programmaboekjes Brugge, 1979-2000
· Klokkenspellen en beiaarden in West-Vlaanderen, West-Vlaamse Gidsenkring, 1993
· Stadsarchief Brugge, reeks 296: Halletoren, 1749
· “Le carillon de Bruges” in L’Illustration, Numéro de Noël, december 1898 · GILLIODTS, L.: Le Carillon de Bruges. Recueil de textes et analyse de documents inédits ou peu connus, Brugge, uitg. L. De Plancke, 1912
· DONNET, Fernand: Les cloches d’Anvers. Les fondeurs anversois, Antwerpen, Veuve de Backer, 1899. Voetnoten (redactie) ….

Tekst: Aimé Lombaert

Districtshuis Borgerhout (Antwerpen)

Geschiedenis van de beiaard

Oude beiaard

In 1887 besloot het gemeentebestuur van Borgerhout een beiaard te laten gieten voor het nieuwe gemeentehuis. Alphonse Beullens (1840-1924), klokkengieter te Leuven en schoonbroer van de beter gekende Séverin Van Aerschodt, kreeg de opdracht een uurwerk en een beiaard van 35 klokken te maken op basis f1. De klokken werden gegoten in 1888. Het uurwerk, de trommel en het klavier werden door Edward Michiels (1831-1910) uit Mechelen geleverd.
De beiaard werd op 25 september 1889 goedgekeurd door de Vlaamse componist en dirigent Emile Wambach (1854-1924). Het is onbegrijpelijk dat iemand die muzikaal zo begaafd was, een beiaard die zo vals klonk, kon goedkeuren. De enige verklaring is dat er blijkbaar werd vanuit gegaan dat een beiaard nu eenmaal niet perfect kon klinken. Op 13 oktober vond het inauguratieconcert plaats, dat gespeeld werd door Edward Steenackers. Datzelfde jaar werd hij titularis van de gemeentebeiaard.

Herstellingswerken en versteek

Na de installatie van de beiaard werd er gedurende vier jaar geen onderhoud aan de beiaard verricht, ondanks herhaaldelijke aanvragen van Edward Michiels. In 1893 kreeg Jef Denyn opdracht om de nodige herstellingswerken en versteek van de trommel te doen. Steenackers kon duidelijk niet zelf versteken, want er werd zolang hij beiaardier was, steeds op iemand anders beroep gedaan.
Na 1893 werd er niets veranderd aan de aria’s of het mechanisme, tot Jef Denyn in oktober 1898 aandrong op een jaarlijks onderhoud en versteek van de trommel. Dat gebeurde vanaf 1909 tot en met 1906. Over 1907 is geen correspondentie i.v.m. onderhoud te vinden, maar vanaf 1908 tot 1913 werd de beiaard jaarlijks nagekeken door de firma Michiels, en Arthur Michiels (1876-1961), zoon van Edward, verzorgde de correspondentie met het gemeente-bestuur. Michiels zorgde ook voor de versteek van de trommel.
Uit verschillende rapporten tussen 1911 en 1913 van Marcel Michiels (Doornik), Felix Van Aerschodt (Leuven), Edward Steenackers en Omer Michaux (Leuven, opvolger van Beullens) bleek dat er buiten algemene herstellingswerken aan de beiaard ook nood was aan het gedeeltelijk herstemmen en hergieten van de beiaard. Uiteindelijk werd er aan de klokken zelf niets herstemd, hoewel de kranten dit wel schreven. Désiré Somers voerde onder leiding van Gustaaf Brees de dringendste herstellingswerken uit, vnl. de verbindingen tussen toets en klepel, en het vernieuwen van de hamers en klepels.
In maart 1914 werden speciale concerten gespeeld ter ere van de “restauratie” van de beiaard, door Gustaaf Brees en Edward Steenackers. Toen de oorlog uitbrak datzelfde jaar, werd er niet meer gespeeld, vermoedelijk tot na de bevrijding in 1918. Op 5 juli 1921 stelde Anton Brees zijn kandidatuur voor het ambt van beiaardier, aangezien de gemeentebeiaardier overleden was. Hieruit blijkt dat Steenackers tot aan zijn dood beiaardier was gebleven, hoewel daar geen geschreven documenten van bestaan.
Anton Brees bespeelde de beiaard om de 14 dagen op zondag van 12 tot 13 uur. Opnieuw vroeg het gemeentebestuur om een studie betreffende de toestand van de beiaard. Volgens Brees verkeerde alleen het klavier zelf nog in goede staat. Alle ijzerwerk was weer volledig geroest. Bovendien was het houtwerk waar de klokken aan hingen op sommige plaatsen verrot en vermolmd, en hingen veel klokken los. 15 van de 35 klokken werden aanvaardbaar genoemd qua toonzuiverheid. Van klankkleur konden slechts 5 klokken door de beugel. De conclusie van Brees was dan ook om de ganse beiaard te hergieten, en van de gelegenheid gebruik te maken om een octaaf bij te gieten. Weer koos het gemeentebestuur voor een goedkope noodoplossing en gaf in 1922 opdracht aan Désiré Somers om enkele dringende herstellingen te doen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Anton Brees in 19245 opstapte en in de Verenigde Staten zijn geluk ging beproeven, waar hij na enkele omzwervingen beiaardier werd van Bok Tower Gardens te Lake Wales, Florida. Na zijn vertrek was er geen vaste beiaardier meer. Het automatisch spel bleef nog in gebruik tot 1969 en af en toe speelde John Gebruers, stadsbeiaardier van Antwerpen, op de beiaard. De laatste herstellingen aan de beiaard gebeurden in 1944 door John Gebruers. In 1952 schreef Jef Rottiers over de beiaard van Borgerhout: “Meer dan de klokken, verdient de wekkering, een voorbeeld van preciesheid en verzorging, onze aandacht.”

Nieuwe beiaard

In 1969 werd de hele beiaard uit de toren verwijderd uit veiligheidsredenen, omdat de klokken door de open galmgaten naar beneden konden vallen. De grootste werden ter plaatste stuk geslagen.
Om de nodige fondsen te verzamelen voor een nieuwe beiaard, werd er in 1972 een beiaardfonds opgericht om de subsidies van de Staat (60%) en de provincie (20%) aan te vullen. In oktober 1973 keurde de gemeenteraad de plannen goed voor een nieuwe beiaard. Het duurde echter nog tot in 1976 eer de tussenkomst van Staat en Provincie werd vastgelegd. Eijsbouts kreeg in 1976 de opdracht om een beiaard te gieten van 47 klokken op basis f1. Jo Haazen, op dat moment stadsbeiaardier van Antwerpen, werd als adviseur aangesteld. Het merendeel van het oude brons werd aan Eijsbouts verkocht. Afgezien van de klokken die al gebroken in Asten aankwamen en derhalve geen ander lot dan de smeltkroes deelachtig kon worden, werden de volgende nog gave klokken als oud metaal aan Eijsbouts verkocht: c2, cis2, d2, es2, e2, f2, fis2, g2, gis2, gis2 en c3. Van deze reeks is de c2 teruggegaan naar Borgerhout en staat opgesteld in de hal van het districtshuis. De kleinste klokjes werden openbaar verkocht tegen 400 frank per kg.
Van de nieuwe beiaard werd de grootste klok versierd met het gemeentewapen in een lauwerkrans. De verschillende op-schriften van de 12 grootste klokken zijn overgenomen uit de inkomhal van het gemeentehuis: Vrijheid schenkt moed – Recht kweekt rede – Plicht teelt eendracht – Wetenschap verlicht – Kennis geeft macht – Wijsheid heerst – Vlijt verrijkt – Arbeid sterkt – Rust roest – Vrede schept weelde – Weelde baart kunst – Kunst adelt
Op 20 februari 1978 kwamen de klokken toe. Op 15 april 1978 speelde Jo Haazen de beiaard plechtig in. Hij werd benoemd als beiaardier van Borgerhout en bleef in die positie tot 1982, toen hij directeur werd van de Mechelse Beiaardschool. Drie jaar werd er niet gespeeld, tot Linda De Schepper in 1985 aangesteld werd.
Het origineel uurwerk en de trommel van Edward Michiels bleven behouden. Ze worden wel elektrisch aangedreven, terwijl ze oorspronkelijk met gewichten werden aangedreven, die dagelijks met de hand werden opgedraaid. Hoewel het de bedoeling was om tweemaal per jaar de trommel te versteken, voor Pasen en de Borgerhoutse Septemberfeesten,10 werden de aria’s sinds 1982 niet meer gewijzigd. In 1982 werd Borgerhout een district van Antwerpen, en veranderde de naam gemeentehuis in districtshuis.
In 1989 -het jubileumjaar van het 100-jarig gemeentehuis en van de beiaard- werd gestart met zomerconcerten. Sindsdien klinkt de beiaard elke eerste dinsdag van de zomermaanden van 20 tot 21 uur en elke derde vrijdag heel het jaar van 14 tot 15 uur.

Overzicht beiaardiers

Edward Steenackers (+1921) 1889-1921
Anton Brees (1897-1967) 1921-1924
Jo Haazen (°1944) 1972-1982
Linda De Schepper (°1958) 1985

Historische curiosa

Klokken van de Alphonse Beullens-beiaard uit 1888:
· inkomhal districtshuis Borgerhout: c2, 761 mm, 262 kg. Grootst overgebleven klok van de Beullensbeiaard
· Nationaal Beiaardmuseum Asten: 7 klokken: cis2, es2, f2, fis2, gis2, gis2, c2. Er is dus tweemaal een gis2-klok.12
· d2, e2 en g2 waren oorspronkelijk ook in het museum te Asten, maar zijn waarschijn-lijk doorverkocht als luidklok.
Varia uit het archief van het Districtshuis Borgerhout:
· Versteekmuziek van mei 1911, door Michiels op de trommel gezet. Bewerker van de liederen onbekend.
· Versteekmuziek van 1913 door Gustaaf Brees geschreven en op de trommel gezet.
· Correspondentie van o.a. Edward Michiels, Alphonse Beullens, Felix Van Aerschodt, Emile Wambach, Jef Denyn, Arthur Michiels, Marcel Michiels, Omer Michaux, Edward Steenackers, Gustaaf Brees, Anton Brees.

Bibliografie

· Linda De Schepper, Beiaarden te Antwerpen, eindwerk KBS. Mechelen, 1982
· Jo Haazen, De zingende toren, Uitgave De Vlijt N.V. Antwerpen, 1979. p 132-135
· Dirk Stappaerts, Borgerhout en zijn gemeentehuis, Uitgave Danthe N.V. Sint-Niklaas, 1981. p. 51-54
· Jef Rottiers, Beiaarden in België, KBS. Mechelen, 1952, p. 153
· Ludo Van den Bos, De beiaard van Borgerhout, eindwerk KBS. Mechelen, 1990.
· Archief Districtshuis Borgerhout: 14de rangschikking nr. 21: Bouw-werken. Gemeentehuis. Beiaard en uurwerk. 1886-89-1911. 14de rangschikking nr. 21/1: Beiaard en uurwerk. Verandering en herstellingen 1911-1914(-1922) .

Tekst: Linda De Schepper / Liesbeth Janssens