Geschiedenis
van de beiaard
DE EERSTE BEIAARD
Zoals in zoveel historische steden vindt de beiaard
van Nieuwpoort zijn oorsprong bij een uurwerk op de Hallentoren.
Reeds in 1120 moet er een Halle bestaan hebben. Die is echter vóór 1313
verdwenen. In deze Halle hing alleen een scheepsklokje. Dit is in 1392
verhuisd naar het schepenhuis (toen gemeentehuis, nu politiecommissariaat).
Over het verdere verloop van de bouw van de Halle en het plaatsen van
de beiaard spreken verschillende bronnen zich tegen. Volgens Rybens
heeft de stad Nieuwpoort in 1480 een nieuwe Halle met toren gebouwd.
Daarop kwam dan het uurwerk. Maar veel wijst erop dat die dit al vroeger
gebeurde. Volgens Dumon zijn in 1405, na de vernielende brand gesticht
door de Engelsen herstellingswerken uitgevoerd aan de Halle. De stad
werd heropgebouwd.
In de stadsrekeningen van 1405, 1406 is het volgende te lezen: "Dit
hebben de voors. Tres. Uitghegheven voor de costen in gheen van voors.
Cappitelen begrepen. Jacob scaphoofde van Brugghe loodgieter van viii
iiij pond soudeure gheoorboort aan de goten van de Halle en torkin boven
den steger van de Halle en ant gisselhuis …"
Eveneens werden in de daaropvolgende jaren volgende
werken aan de Halle uitgevoerd:
- In 1415 betaalde de stad timmerlieden om de uurklok te plaatsen
- De klok werd in 1413 besteld bij Jan van den Colcke, maar pas in 1415
geplaatst
- De wijzer voor het uurwerk, om "lidende lieden te weten de tijd van
den daghe", is in 1415-1416 besteld eveneens bij Jan van den Colcke.
- In 1418 moest de wijzer vervangen worden. Op dat moment werd ook een
houten man, de "Jacquemart", "slaende en beteekenende de ueren van den
daghe 't marct", op de toren geplaatst
- Willem Vande Wiele kreeg in 1440 de opdracht om een "nieuwe ingiene
dienende ter huerclocke ter marct" te bouwen en 2 of 3 "appeelkens"
als voorslag of voorspel.
- Pauwels de Bloncke zorgde in 1442 voor het vervoer van deze "enghiene"
van Ieper naar Nieuwpoort.
- Er werden ook ijzeren banden aan de houten man vastgemaakt. De hamer
van de voorslagman moest in datzelfde jaar hersteld worden.
- In 1501-1502 werd Cornelis de vos betaald om bij hem in Ieper een
"houten man die de clocke slaet binnen der stede" te maken en te schilderen
voor het vervoer naar Nieuwpoort.
- Joos van der Meersch heeft de man geschilderd in 1532
Na 1578 is veel veranderd:
- Timmerlieden werden betaald om klokken op te hangen in de toren en
daarvoor een windas te maken. Deze timmerlieden moesten in 11 weken
tijd 6 klokken afhalen, drie in de toren en drie in de Halle.
- Jan Dierickx, beeldhouwer in Brugge kreeg de opdracht twee houten
mannen te maken om de klok te slaan. Deze twee houten mannen kregen
de naam Herman en zijn zoon. Daardoor werd de bijnaam van de toren algauw
"Hermanstoren"
- Jacques vande Kerckhove en Joos van de Vane moesten ervoor zorgen
dat deze mannen stevig aan de toren werden vastgemaakt.
- Peter Everaert heeft per schip een klok "dienende tot een accoord"
overgebracht van Brugge.
- In 1579 leverde Jan Seghers uit Amsterdam ook een klok met een gewicht
van 1880 pond aan de stad Nieuwpoort.
- In 1580 werd een klokje besteld bij een klokgieter in Brugge en Gheleyn
Wagheman leverde koperdraad voor het nieuwe uurwerk.
- In 1582 levert Adriaen Jonas "oorlogiemaecker der stede Brugghe" een
nieuw speelwiel om alle liedjes en psalmen daarop te spelen.
In de 25 daaropvolgende jaren wordt in de stadsrekeningen
niets meer vermeld over de beiaard. Nieuwpoort maakte op dat moment
moeilijke tijden door van bezettingen, plunderingen … We kunnen aannemen
dat er in die tijd niet veel geld beschikbaar was om beiaardiers te
betalen.
Het is pas in 1608 dat er rekeningen teruggevonden worden die vermelden
dat de organist van de kerk, met name Jan dela Porte, de beiaard bespeelde.
Hij herstelde de klokken en werd vergoed voor het bespelen van de beiaard
in 1618 en 1619.
In 1628-1629 werd Hendrick Grard vergoed voor "ghebeyerd t' hebben op
de clocken van de Halle dezer stede den tyd van een jaer verscheenen
den lesten April 1629".
Jan Blampain heeft in 1643 diverse klokken opnieuw gegoten.
In 1673 werd een nieuwe kerktoren gebouwd en daar werden de klokken
in overgebracht. Deze beiaard zal nog spelen tot in 1735. Daar de beiaard
eigenlijk een samenraapsel was van klokken van verschillende gieters
zal de klank waarschijnlijk niet zo mooi geweest zijn.
DE TWEEDE BEIAARD
De tweede beiaard van Nieuwpoort zal niet, zoals de
eerste, in de Hallentoren opgehangen worden, maar wel in een nieuwgebouwde
toren naast de kerk. De eerste steen van deze nieuwe, losstaande, toren
werd in 1631 gelegd. De toren is nooit voltooid, maar men heeft in plaats
daarvan een soort houten muts, namelijk de "open lantaarn" geplaatst.
Daarin waren alle klokken zichtbaar opgehangen. Bovenop dit alles stond
het grote kruis vastgeankerd in een bol. Deze toren is van hetzelfde
type als de campanile van St. Michiel in Roeselare.
Rond 1735 maakte het magistraat van Nieuwpoort plannen om de oude beiaard
te vervangen door een nieuwe. Vooraleer te beslissen werd poolshoogte
genomen in Oostende, waar toen een beiaard van Guilelmus Witlockx uit
1711 hing. Deze beiaard werd als degelijk beschouwd, waardoor het magistraat
besloot een nieuwe beiaard te bestellen en deze te toetsen aan de beiaard
van Oostende.
In de St. Jacobskerk van Antwerpen hing een nieuwe beiaard gegoten door
Peter Vanden Gheyn en er werd besloten deze gieter aan te schrijven.
Johannes Pauwels, "meester-klokgieter" te Gent, deed in 1735 een aanbod
om 30 klokken te gieten, maar daar is de stad Nieuwpoort niet op ingegaan.
Wel heeft deze gieter, op verzoek van het magistraat, de oude klokken
nagezien.
In augustus 1735 werd een overeenkomst gesloten met
Peter Vanden Gheyn om een beiaard te gieten van 2 octaven conform aan
de 2 hoogste octaven van de beiaard van Oostende. De beiaard moest uit
25 klokken bestaan die samen een "brabants" gewicht hadden tussen 2100
en 2500 ponden. De oude klokken zouden per boot naar Leuven verscheept
worden om als klokspijs te worden gebruikt. Dit gebeurde in oktober
1735. De beiaard moest binnen 4 maanden geleverd worden.
Nieuwpoort werd door de eerste minister "op
de vingers" getikt, omdat zij het nalieten hem op de hoogte te brengen
van hun beslissing voor het bestellen van een nieuwe beiaard. De eerste
minister wees erop dat het, in de omstandigheden van de tijd, een dure
aangelegenheid was enkel en alleen om de streling van het oor te voldoen.
In december 1735 liet Peter Vanden Gheyn de stad weten dat de beiaard
klaar was. De stad moest zorgen voor het vervoer. De tolbrief kwam pas
eind januari bij de gieter aan en pas op 19 februari werden de klokken
per schip van Leuven naar Antwerpen vervoerd. Daar werd een schip gezocht
om de beiaard naar Gent en dan naar Brugge te brengen. In Brugge moesten
de klokken nogmaals verscheept worden om daarna naar Nieuwpoort te vervoeren.
De plaatsing van de klokken gebeurde in maart en april 1736. Op 13 april
werken 5 deskundigen aangesteld om de beiaard te keuren. Dit waren de
deskundigen: Frans Vauchelet (klokspeler te Oostende), Ignatius Amare
(zangmeester in de parochiekerk), Johannes De Gruytters (organist in
de parochiekerk), Johannes Geert (violist in de parochiekerk) en Cornelius
Begerem (carillonnist van de stad Nieuwpoort).
Naast de klokken werd door Peter Vanden Gheyn ook een nieuw klavier
geleverd. Na de keuring bleef Peter Vanden Gheyn in Nieuwpoort en kreeg
hij op 17 april 1936 een nieuw contract om de beiaard te vervolledigen.
Hij goot het derde octaaf en ook de tien basklokken. De basklokken werden
eerst besteld, later kwamen daar de allerkleinste klokjes bij. De keuring,
uitgevoerd door dezelfde 5 deskundigen, had plaats in februari 1737.
Daarbij werd vastgesteld dat één of twee klokken niet in akkoord waren.
Deze werden neergehaald en uitgevijld door vanden Gheyn. Er vond direct
een tweede keuring plaats. De keuring viel slecht uit. Er werden verschillende
klokken niet conform bevonden met de vorige geplaatste klokken. Ze waren
een kwart of een halve kwart van een toon te hoog. De stad wilde niet
betalen en daarmee ging Peter Vanden Gheyn niet akkoord en er volgde
een proces. Na lange tijd kwam de zaak voor de Raad van Gent die besloot
om de heren Peeters, Schepers en Bagenrieux, respectievelijk beiaardiers
te Leuven, Gent en Brugge, aan te stellen om de tien basklokken te keuren.
Het verslag wees erop dat 8 van de 10 basklokken een kwart tot een halve
kwart te hoog waren, maar de "uytganck" goed was. De deskundigen spraken
in het voordeel van de stad en dit werd door Peter Vanden Gheyn niet
aanvaard. Hij ging in beroep voor de grote Raad van Mechelen. Er werd
echter een onderling akkoord gesloten tussen de stad en de gieter. Beiden
zouden opdraaien voor een deel van de kosten. Door het in orde brengen
van de klokken moesten de 3 basklokken opnieuw gegoten worden. De grootste
basklok was volledig kapot doordat zij naar beneden viel en daardoor
2 andere klokken beschadigd had.
In september 1737 werd de beiaard nogmaals gekeurd, deze keer door de
Heren Amare, de Gruytters, Geert en Aubert François.
Op 10 oktober werd in het stadhuis de definitieve rekening opgemaakt
en betaald. OP het einde van het jaar 1737 was de beiaard volledig in
orde en kon hij ingehuldigd worden. In 1739 zal Pater Pluvier, prior
van de Carmelieten te Leuven, nog twee kleine klokjes leveren.
In de opeenvolgende jaren zou de beiaard meerdere herstellingen ondergaan.
Zo werden in september 1739 twee gebarsten klokken vervangen. In 1740
heeft de Heer Leemans, organist van de kathedraal en beiaardier van
Brugge, de beiaard nagezien. In 1760 en 1771 werden verschillende klokken
vervangen en in 1793-1794 heeft de toren veel schade geleden bij de
inneming van de stad door de Fransen. Gelukkig werd de beiaard van Nieuwpoort
niet geroofd zoals deze van Veurne. In 1826 werden nog enkele klokken
geleverd door Georges Duméry uit Brugge. In 1845 werden een gebroken
klok van 166 kg. en een gebarsten klok van 46 kg. door A.L.J. van Aerschodt
door nieuwe klokken vervangen. In maart 1879 werden 5 klokken naar Leuven
verzonden en tegen juli waren ze hergoten. Er werden nog wat werken
uitgevoerd, zoals het vervangen van de klepels, trengels, ijzerdraad
en veren. In 1905 doet van Aerschodt een offerte voor het restaureren
van de beiaard, maar deze werd nooit uitgevoerd.
Tijdens de eerste wereldoorlog werd de beiaard vernietigd.
Het Belgisch leger liet op 17 oktober 1914 de toren dynamiteren omdat
deze een te goed doelwit was voor de vijand.
In de archieven is terug te vinden dat er naast de beiaardier ook nog
4 klokluiders en een opwinder van het stadsuurwerk in dienst waren.
£ Van deze beiaard zijn nog enkele restanten: twee klokken gegoten
door Duméry, namelijk een klok met de toon E?, waarvan de kroon afgebroken
is en een klok met de toon D?, waar een kogelgat in zit. Deze laatste
klok klinkt niet meer.
In de kerk hangt bij de sacristie een klokje, eveneens gegoten door
Duméry, ooit aan Nieuwpoort geschonken door E.H. Jozef Waffelaert, bisschop
van Brugge van 1895 tot 1931. Dit klokje vertoont aan de binnenkant
afslijting van de klepel, maar toont geen afslijting aan de buitenkant
van een hamer.
Ook van de gieter A.L.J. van Aerschodt is nog een klokje overgebleven.
De toonhoogte van dit klokje is A?. In maart 2000 is bij een Brussel
antiquair een klokje opgedoken met een gewicht van 23,5 kg. en een onderdiameter
van 31,9 cm. Hij had dit op een veiling in Frankrijk gekocht. Dit klokje
werd door Peter Vanden Gheyn gegoten in 1735 en draagt het wapenschild
van Nieuwpoort. Dit klokje is in het bezit van Paul-Félix Vernimmen,
afstammeling van de familie Vanden Gheyn. Het klokje is te identificeren
als afkomstig uit de verdwenen beiaard van Nieuwpoort. Deze klok, die
sinds 86 jaar vermist was, is afkomstig van de eerste reeks klokken
geleverd door Vanden Gheyn aan de stad Nieuwpoort. Het vertoont veel
gelijkenis met een beiaardklok (gezandstraald in 1981) van dezelfde
gieter in 1735 gegoten voor de Sint-Rumoldustoren te Steenokkerzeel
en thans bewaard in het museum Vanderkelen-Mertens in Leuven.
DE DERDE BEIAARD
Na de eerste wereldoorlog moet Nieuwpoort start de
heropbouw van Nieuwpoort. Ook de toren zal heropgebouwd worden, maar
de uitvoering ervan wordt door het uitbreken van de tweede wereldoorlog
uitgesteld tot na 1945.
Plannen om de beiaard terug te doen klinken worden al veel vroeger gesmeed.
Jef Denyn brengt op 18 april 1922 een bezoek aan de stad Nieuwpoort
om te onderhandelen over het bouwen van een nieuwe beiaard. Dit gebeurde
op vraag van klokgieter Marcel Michiels, senior, uit Doornik. Ook de
firma Gillett & Johnston doet een offerte voor het maken van een nieuwe
beiaard voor Nieuwpoort. Op 25 oktober 1935 maakt Omer Michaux voor
de derde maal een offerte aan de stad Nieuwpoort. In oktober 1939 maakt
Marcel Michiels voor de stad nog een verslag over de toestand van de
beiaard in 1902.
Door het uitbreken van de tweede wereldoorlog wordt de planning voor
het bouwen van de beiaard uitgesteld tot in 1951. Op 28 september maakt
Marcel Michiels junior een raming op voor de beiaard. Hij opteert voor
47 klokken, waarvan 3 luidklokken. In de prijsraming zit ook het klavier
voor het handspel en een trommel, automatisch opgewonden door middel
van elektriciteit, voor het automatisch spel.
In totaal zou deze beiaard zo'n 1.531.400 Fr. kosten. Het stadsbestuur
legt zijn oor te luisteren bij verschillende beiaardiers van Vlaanderen
om hun bevindingen met hun beiaard. Onder meer Eugeen Uten schrijft
een brief naar Nieuwpoort waarin hij onder meer aanraadt om te rade
te gaan bij Staf Nees, directeur van de beiaardschool. Het stadsbestuur
gaat echter te rade bij professor Guillaume Van Esbroeck. Hij aanvaardt
om samen met Victor van Geyseghem de verantwoordelijkheid te dragen
voor het opmaken van een behoorlijk lastendossier en de aanbesteding
van de klokken te keuren.
Professor G. Van Esbroeck is ingenieur in de mijnbouwkunde, maar deed
ook onderzoek naar "de gebezigde toonhoogten in muzikale toonladders
en uitvoeringen". Victor van Geyseghem was licentiaat in de economische
wetenschappen en was kolonel bij het leger. Hij was daar hoofd van de
proefbank voor artilleriewapens in Luik. Hij deed zijn beiaardstudies
aan de beiaardschool van Mechelen waar hij leerling was van Jef Denyn.
Hij was een bekwaam beiaardier, maar door zijn positie in het leger
kon hij geen stadsbeiaardier worden.
Er wordt in de zitting van het college besloten dat zij 5% van de volledige
kosten als ereloon krijgen met een minimum van 60.000 Fr.
G. Van Esbroeck doet een voorstel aan de stad om een speciale stemming
te gebruiken met daarbij omwisselbare "zwarte" toetsen. Hij zou een
schuifschakelaar inbouwen voor deze toetsen. Hieruit blijkt dat hij
niet vertrouwd was met de beiaardtechniek.
Op 2 februari 1952 heeft Marcel Michiels een definitief bestek opgemaakt
voor het stadsbestuur. Het bestek is wat verwarrend, want hij spreekt
over 3 luidklokken die als basklokken dienen voor de beiaard van 48
klokken en wat verder spreekt hij over de levering van 66 klokken. De
totale kostprijs bedraagt nu 1.271.270 Fr. Er worden ook richtlijnen
opgegeven voor de architect, de heer Viérin.
Op 9 februari 1952 wordt het schepencollege op de hoogte gesteld dat
het nog niet zeker is dat de gieter voldoende brons, nodig voor het
gieten van de klokken, zal kunnen bekomen van de regeringsinstanties.
De heer van Esbroeck raadt het college dan ook aan om nog geen betalingen
uit te voeren aan de gieter. Er wordt een schrijven gericht aan de gouverneur
om de herstelvergoeding te vragen voor de geleden oorlogsschade. In
het vonnis van december 1951 van de rechtbank van Ieper wordt de geleden
schade bepaald op 1.117.648 Fr. Op de zitting van de Bestendige Deputatie
van de Provinciale Raad van West-Vlaanderen worden de aannemingsvoorwaarden
voor het herstel van de beiaard en klokken aanvaard voor een totaal
bedrag van 1.442.648 Fr.
De gieter Michiels heeft blijkbaar problemen om het lastenboek voor
100% te volgen. Van Geyseghem stelt voor om hulp in te roepen van een
buitenlandse gieter, namelijk Eysbouts uit Asten. Doch het stadsbestuur
blijft bij haar besluit om de werken door Michiels te laten uitvoeren.
Het definitieve uitvoeringscontract dateert van 22 februari 1952. Daarin
zijn alle details van afmetingen en gewicht van de klokken en alle andere
benodigdheden en uitvoeringen der werken beschreven. Hij spreekt nu
van een bedrag van 1.442.648 Fr.
Op 29 maart wordt de opdracht gegeven om de werken te starten. De beiaard
moet klaar zijn op 6 juni, want dan vindt de eerste eindkeuring plaats.
De tweede eindkeuring zal doorgaan op 27 juni en indien nodig zal een
derde keuring plaatsgrijpen op 24 juli. De laatste eindkeuring zal gebeuren
op 5 augustus. De klokken moeten geleverd worden (aan de voet van de
toren) op 15 augustus en de plaatsing en volledige afwerking moeten
klaar zijn op 15 september.
De afwerking van de toren heeft plaats eind augustus 1952. Dan kan overgegaan
worden tot het plaatsen van de beiaard.
Er moet echter aangedrongen worden bij Michiels om de klokken in september
te leveren. De gieter ondervindt problemen met het plaatsen van het
klavier. De plaatsing van het klavier was voorzien naast de klokken
in de klokkenkamer, maar er is geen plaats genoeg. Daarom stelt Michiels
voor om het klavier in de kamer onder de klokkenkamer te plaatsen, maar
doordat deze kamer te hoog is moet er een houten vloer in geplaatst
worden. Op deze vloer komt een houten cabine waarin het klavier geplaatst
wordt. Het stadsbestuur richt op 26 augustus een verzoek aan de koning
om deze beiaard de naam "Koning Boudewijn-beiaard" ofwel "Boudewijnbeiaard"
te mogen geven. Door het hof wordt daar negatief op geantwoord. Het
is niet de gewoonte van de koning om zo'n gunsten toe te staan.
De 5 grootste klokken, die als luidklokken dienst doen, zijn toegewijd
aan: de H. Drievuldigheid, O.L. Vrouw Hemelvaart, H. Petrus, H. Laurentius
en H. Joannes de Doper.
Het plaatsen van liederen op te trommel wordt toevertrouwd
aan Meester-beiaardier Géo Clément, beiaardier van Mons en Tournai.
Het zal nog duren tot in 1954 vooraleer het automatisch klokkenspel
kan werken.
Op 26 oktober 1952 wordt een instellingsconcert gegeven door Géo Clément.
Hij geeft die dag 2 concerten. Eén ervan wordt uitgezonden op de toenmalige
NIR.
In oktober 1953 kunnen de luidklokken vanuit de sacristie bediend worden.
In 1954 moesten 56 klokken verbeterd worden omdat hun stemming niet
optimaal is. Het is dan ook pas in november 1954 dat de definitieve
overname van de beiaard plaats vindt.
Op 2de pinksterdag 25 mei 1953 wordt de nieuwe beiaard ingehuldigd.
Er werd die dag een concert gegeven door Eugeen Uten, Géo Clément, A.
de Groot en ook door Staf Nees. Naast de concerten vonden ook een folkloristische
stoet en een groot volksbal plaats. Ook de Muziekkapel van de Gidsen
gaf een concert samen met een koor "Cantores" uit Brugge. Bij de aanvang
van het volksbal werden stadhuis, toren en stadshalle verlicht.
In 1979 wordt door de firma Clock-o-matic een prijsofferte
gemaakt voor de herstelling van de klavierinrichting. Deze offerte krijgt
een gunstig advies, want na 25 jaar dienst was het nodig het klavier
grondig aan te pakken.
In december 1991 starten dan de werken voor de restauratie van de beiaard.
De volledige installatie wordt gedemonteerd. De klokstoelen worden volledig
vervangen en anders uitgevoerd en na zandstralen en metalliseren geschilderd
in verschillende lagen. De luidbruggen ondergaan dezelfde behandeling.
Er wordt een volledig nieuw tuimelrek gemaakt, gesteund op het principe
van de gerichte tuimelaars. Alle draden, bouten en moeren worden vervangen.
De klokkenstoelen zullen zelfstandig staan. Er wordt een nieuw automatisch
speelwerk voorzien die bestaat uit een elektronisch programmeerbaar
uurwerk. Dit speelwerk bespeelt 36 klokken, of 3 octaven. De hamers
werken op het elektromagnetische principe. De werken eindigen in juni
1992 en de overdracht gebeurt op 7 juli. De inhuldiging grijpt plaats
op 11 juli 1992 en gaat gepaard met een academische zitting. Daar wordt
door gastspreker beiaardier Jos D'Hollander een lezing gegeven over
"De Renaissance in de beiaardkunst in Vlaanderen" en een dubbelconcert
met beiaard (Paul Bourgois) en het Thebaans Koperkwartet (M.Wuyts).
Beiaardiers
1ste beiaard
| ? |
? |
1608 |
| Jan dela Porte |
1608 |
1619 |
| ? |
1619 |
1628 |
| Hendrik Grard |
1628 |
1629 |
| ? |
1629 |
1643 |
| Jan Blampain |
1643 |
? |
| ? |
? |
1700 |
| Joris Rants |
1700 |
1707 |
| Andris Bouden |
1707 |
1721 |
2de beiaard
| Cornelis Begerem |
1721 |
1737 |
| Joannes de Gruytters |
1737 |
1742 |
| Joannes Geerts |
1742 |
1753 |
| Pauwel Carlier |
1753 |
1781 |
| Hendrik Maegerman |
1782 |
1815 |
| Napoleon Rouché |
1815 |
1840 |
| Michel Desmedt |
1840 |
1863 |
| Clement Celestin |
1863 |
1879 |
| Louis Vlieghe |
1879 |
1887 |
| Louis Deseck |
1887 |
1894 |
| Karel Dedeyster |
1895 |
1907 |
| Lodewijk (Louis) Deschieter |
1895 |
1914 |
| Cyriel Michiels |
1907 |
1912 |
3de beiaard
| Paul Bourgois |
1954 |
2005 |
| Els Debevere |
2005 |
|
In de lijst van beiaardiers van de 2de beiaard valt één naam
zeker op, deze van Joannes de Gruytters. Joannes de Gruytters werd in
Nieuwpoort geboren. Hij volgde zijn vader, Jacques François Jean op
als organist van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Joannes werd volgens de stadsrekeningen
betaald voor "gespeeld hebbende met den bas, violon en serpent".
Op 20 oktober 1740 werd Joannes benoemd als stadsbeiaardier van de stad
en de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Antwerpen om aldaar zijn bekende carrière
uit te bouwen.
Ik wil ook even stilstaan bij de beiaardier van de 3de beiaard,
namelijk Paul Bourgois die gedurende meer dan 50 jaar stadsbeiaardier
van Nieuwpoort was. Paul is geboren in Gullegem op 18 februari 1933.
Op jeugdige leeftijd maakte hij reeds kennis met het pianoklavier. Tijdens
zijn collegetijd in Kortrijk en Menen was hij spelend lid van de KSA-harmonie
van het college van Menen en lid van het kerkkoor "Sursum Corda" van
Gullegem. In Kortrijk kreeg hij pianoles van Albert Vanhaute die toen
organist en stadsbeiaardier was.
Na zijn humaniora trok Paul naar Mechelen om er les te volgen
aan het Lemmensinstituut. Algauw maakte hij kennis met de beiaardkunst
en raakte hij zo verzeild in de beiaardschool van Mechelen. Daar kreeg
hij les van Staf Nees en Jef van Hoof. Campanologie studeerde hij bij
Victor van Geyseghem. Het diploma van de beiaardschool behaalde hij
in juli 1955. Paul werd na een voorlopige aanstelling benoemd als stadsbeiaardier
van Nieuwpoort in 1955. Zijn enthousiasme voor de beiaardkunst was zeer
groot. In 1955 organiseerde hij een beiaardcongres in Nieuwpoort. Heel
wat Belgische beiaardiers zakten toen af naar Nieuwpoort. In 1953 werd
hij benoemd tot stadsbeiaardier van Izegem. Hij bleef dit tot 1961.
In Veurne was hij stadsbeiaardier van 1959 tot 2000.
Paul heeft verscheidene opnamen gemaakt van beiaard. Daarvan zijn er
toch twee unieke opnames op cd., namelijk die met harp en beiaard.
In januari gaf Paul Bourgois de fakkel door aan de kersverse beiaardier
Els Debevere, de eerste West-Vlaamse vrouw die als gediplomeerd beiaardier
aangesteld wordt als stadsbeiaardier.
Tekst: Els Debevere