![]() |
|
||||||
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
LIER
|
Sint-Gummaruskerk
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Klokkengieters: Alexius Jullien: 24 (1 van 1704, 6 van 1705, 7 van 1706, 7 van 1707, 1 van 1713, 1 van 1719, 1 van 1732), Johannes Jacob Huart: 1 (1781), Marcel Michiels sr.: 2 (1925), Jacques Sergeys: 1 (1976), Eijsbouts: 24 (1 van 2003, 23 van 2004) Aantal klokken: 52 Basklok: f° = 7.638 kg Totaal gewicht: 29.781 kg Transpositie: hele toon omlaag (klaviertoon c1 = slagtoon bes°) Stemming: middentoon Totale omvang klavier: g°-bes°-c1-d1-chromatisch-d5 Omvang manuaal: g°-bes°-c1-d1-chromatisch-d5 Omvang pedaal: g°-bes°-c1-d1-chromatisch-bes2 Klavier: Noord-Europese standaard, Eijsbouts 2004 Inrichting: Gerichte tuimelaars Automatisch spel: springtrommelspeelwerk van Alexius Jullien (1707) Besturing automatisch spel: mechanische inrichting van Henricus Joltrain (1712) Luidklokken: 8, niet in de beiaard opgenomen: Daems: 1 (1703), Marcel Michiels sr.: 1 (1920), Jacques Sergeys: 4 (1976), Eijsbouts: 2 (2004) Bespelingen: donderdag (12.00-12.45u) en zaterdag (10.15-11.00u) Concerten: zondagavond in juli en augustus (19.30u) Beiaardier: Geert D'hollander |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Geschiedenis van de beiaard Enkele opmerkelijke data In Lier dateren de oudste twee klokkenakten van 1387. In het eerste octrooi staat de Bisschop van Kamerijk toe, een klok te hangen in de kapel van Sint-Jacobs op de markt. In het andere verleent Hertogin Joanna aan de "droogscheerder" het privilege een werkklok te gebruiken. In 1475 wordt voor het eerst in de Lierse geschiedenis het woord "beyaerden" gebruikt (of het ritmisch bespelen van klokken met behulp van touwen die naar een centraal punt in de klokkenkamer worden geleid). De betalingen gebeuren in natura (bier, brood) en geld. 16de eeuw Tegen het einde van de 16de eeuw waren er 12 klokken in de
Sint-Gummarustoren aanwezig, de meeste bij naam gekend en elk met zijn
specifieke, organisatorische functie. Er mag worden aangenomen dat deze
klokken verbonden waren aan een klein klavier (zoals in de meeste Vlaams
beiaardsteden in die tijd). De grootst, Salvator, werd reeds op 9 september
1505 gegoten door Joris I Waghevens. 17de eeuw De tweede beiaard telde aanvankelijk 15 klokken en werd gegoten tussen 1609 en 1616 door Peeter van den Gheyn III. Het instrulment werd in de loop van de eeuw uitgebreid tot 30 klokken. Hij werd in 1614 gekeurd door Hendrick Bernaerts, beiaardier van St-Andries (Antwerpen). In 1625 werd er versteek gedaan door Andries Hechts, kerkmeester, en werd het klavier hersteld door Ursmanus Tisson, beiaardier van de St-Romboutskathedraal te Machelen. De bijna ononderbroken onderhouds-, aanpassings-, restauratie-, en uitbreidingswerken aan trommel, beiaard en torenwerk, leidden in 1642 tot een accijnsverhoging op het bier voor de komende 25 jaar. Blijkbaar met succes, want in de daarop volgende jaren schreef de stad een aanbesteding uit voor een geheel nieuw instrument. 18de eeuw De aanbesteding van de derde beiaard kwam tot stand onder
het beiaardschap van Bartholomeus Sarta Sr., stamvader van het 17de
eeuwse Lierse muzikantengeslacht. In 1702 sloeg het noodlot weer toe: op 2 september vernielde
een brand, als gevolg van een blikseminslag, de bestaande beiaard. Toch
besliste het stadsbestuur reeds in 1703 tot aanschaf van een nieuw klokkenspel.
Het werd een nog omvangrijker instrument, ditmaal 35 klokken waarvan
het merendeel gegoten werd tussen 1704 en 1707 door de Lierse klokkengieter
Alexius Jullien (°ca. 1670-1734), bijgestaan door Willem Witlockx.
Dat de uit Lotharingen afkomstige luidklokkengieter Jullien het stemmen
onderschatte, verklaart de aanwezigheid van Witlockx. In de "Acte
nopende het drayen vande Bijaert" kreeg Jullien de opdracht te
gieten daar waar Witlockx een "goet en behoorelyck accort van eenen
perfecten en loffelycke byaert" moest zien te verkrijgen. Dit soort
samenwerking is een unicum in de beiaardgeschiedenis. Tussen 1709 en 1732 werden door Jullien nog enkele klokken toegevoegd. Jan Frans Moons (Lier) hergoot in 1740 de O.L.Vrouwekerk dewelke op haar beurt in 1781 hergoten werd door Johannes Jacob Huart (Antwerpen). Andreas vanden Gheyn (Leuven) hergoor in 1748 en 1812 twee kleinere Jullienklokjes en voegde er in 1761, 1763 en 1764 nog 3 discantklokjes aan toe. Hierdoor kwam het aantal op 40. 20ste eeuw In 1911 verving Felix van Aerschodt (Leuven) een klokje. Tijdens WOI werden 8 klokken beschadigd bij de beschieting van de toren. Tussen 1920 en 1924 veranderde Luis Zimmer de inrichting van het beiaardklavier. Hij installeerde (zonder tussenkomst van Denyn!) het Mechelse tuimelaarsysteem en bouwde een ietwat afwijkend beiaardieklavier: de uiterste manueel- en pedaaltoetsen zijn licht octaaf! Tussen 1920 en 1931 tenslotte hergoten Marcel Michiels sr. en jr. de 8 vernielde klokken en breidden ze het instrument uit met 4 discantklokjes waardoor het totale aantal op 44 kwam. In 1976 trachtte Jacques Sergeys de klokken te herstemmen.
Hij verving 14 Jullienklokken, 8 Michielsklokken en de van Aerschodt-klok.
Hij leverde zelf 26 klokken en breidde de beiaard uit tot 47 klokken.
Het beoogde objectief werd slechts ten dele bereikt: de beiaard klonk
zuiverder maar ondanks alles werd hij nog steeds als heterogeen en met
name in de discant als mat klinkend ervaren. Het houten beiaardklavier
van de jaren '20 werd door Clock-o-Matic (Herent) vervangen door een
ijzeren klavier, de houten speelkabine en de houten klokkenstoel door
resp. een metalen kabine en een gegalvaniseerd metalen klokkenframe. Restauratie 20ste eeuw Ter gelegenheid van 300 jaar Lierse beiaard (1704-2004) besloot
het stadsbestuur om, in samenwerking met de Provincie en de Vlaamse
Gemeenschap, een rastauratie uit te voeren. Het leidde tot één
van de meest prestigieuze maar vooral unieke projecten uit de Vlaamse
beiaardgeschiedenis. Alles werd op een historisch verantwoorde manier
gerestaureerd: er staat opnieuw een indrukwekkend met de hand gekapte,
18 ton zware eiken klokkenstoel, er hangen 52 handgesmede klepels (qua
model en hardheid gekopieerd naar de oorspronkelijke 18de eeuwse), Het
beiaardklavier dat Zimmer na WOI mee ontwierp diende als uitgangspunt
voor het nieuwe ontwerp etc. Een imposante opdracht die toegewezen werd
aan de firma Eijsbouts (Asten). Het zachte smeedijzer zorgt voor een
zeer warme, ronde klank die heel wat onregelmatigheden in de boventoonreeks
"verdoezelt". Daardoor kon een agressieve herstemming worden
vermeden! Het huidige, 52 klokken tellende instrument is met zijn 30
ton meteen de zwaarste 18e eeuwse van West-Europa geworden. Bespelingen en concerten Na installatie van de beiaard in 1707 werd er gespeeld bij
alle kerkelijke diensten van zon- en heiligendagen en tijdens de processies.
Daarnaast waren er de diensten van de "kapellen van de St-Gummaruskerk",
en een aantal andere variabele opdrachten, gelinkt aan politieke gebeurtenissen.
Los van het bovenstaande werd er ook elke zaterdag van 11.15-12.00u
geconcerteerd. In de 20ste eeuw werd er heel variabel gespeeld. Frans Chauvaux
speelde elke zaterdag en zondag van 11.30-12.00u, en op alle kerkelijke
Feestdagen. Er was geen zomeravondreeks. De Lierse springtrommel, een unicum Twee dagen na de goedkeuring van de beiaard op 9 juli 1707,
vergaderde het stadsbestuur en werd er gestemd of "men aen Alexius
soude laeten gieten de trommel dienstigh tot voorslagh". Jullien
kreeg de opdracht, en op 12 juli ondertekenden hij en collega klokkengieter
Willem Witlockx (Antwerpen) de "conditie waer op sal worden aenbesteldt
het gieten der trommel dienstigh voor den voorslagh van den beyaert
deser stadt". Na de ingebruikname kreeg hij terecht alle lof. Op 5 april
1713 verklaarde François Schepers, stadsbeiaardier van Gent,
dat het speelwerk "soo deughdelyck ende constigh gemaekt is, dat
de gelychte in geheel de weirelt niet te vinden is". Ook Jacobus
Willmore, horlogemaker uit Mechelen, en Boudewijn Boulangier, stadsbeiaardier
van Brugge, bevestigden dat het trommelklavier en de muziek "heel
loffelyck is uitgewerckt sonder eenige de minste fauten en naer syn
oordeel desgelyckx noynt en heeft gesien". Uitzonderlijk aan dit speelwerk is het springmechanisme.
Na de melpodie van het uur (70 pare gaten, 158 muziekmaten) verspringt
het klavier automatisch ca. 1,5 centimeter. Hierdoor komen de 70 onpare
gaten ter beschikking (eveneens 158 maten) waardoor de trommel dubbel
zo lang kan spelen. Na de volledige omloop springt hij terug op zijn
originele plaats. Tijdens WOI werd hij 32 maal doorboord bij de beschieting
van de toren. Tussen 1920 en 1924 volgden herstellingen van smid Gommaar
Joris en Louis Zimmer veranderde de inrichting. Hij automatiseerde in
1928 eveneens het opwindmechanisme waardoor het dalen van de 1400 kg
(sommige bronnen vermelde 900 kg) zware kanonsloop tot enkele meters
beperkt werd. Tijdens de restauratie van 2004 (firma Clock-o-Matic) werden
de speelhamers vervangen door modellen die qua vorm en gewicht aansluiten
bij de teruggevonden originele 18e eeuwse hamer. Versteek In de 18de eeuw werd er 4 to 5 maal per jaar verstoken en
moest de beiaardier, naast de trommel, ook het uurwerk onderhouden en
indien nodig (op eigen kosten) herstellen. In de 20ste eeuw werd er
niet door de beiaardier verstoken maar door de uurwerkmakers. Zo zijn
er afbeeldingen van Zimmer die de trommel versteekt. Tijdens de 2de
helft van de 20ste eeuw wordt er nauwelijks nog vertoken. Zimmer, de horlogemaker Louis Zimmer (1888-1970) was net als zijn vader horlogemaker.
Hij vervolmaakte zich in Zwitserland en Italië waarna hij zich
specialiseerde in astronomische uurwerken. Zimmer bouwde o.m. uurwerken
voor het koningshuis en zijn klokken zijn verspreid over de hele wereld. De luidklokken De oorspronkelijke 18e eeuwse luidklokkenreeks was een zuiver diatonische (bes-0, c-1, d-1, es-1, f-1). Die werd bij de restauratie in 1976 echter vervangen door een hele toon reeks. De 4 zwaarste luidklokken waren aveneens aangesloten als
beiaardklok, ondanks de lange afstand (3 verdiepingen of ca. 20 meter). Aangezien er bij de restauratie van de beiaard in de 20ste eeuw klokken vrijkwamen werd er gezocht naar een zo goed mogelijk bij elkaat passende reeks. Als bij wonder kwam er een nagenoeg volledige lydische modus uit de bus (F, G, A, B, C, D, E, F), die evenwel begint op de dominant (nieuwe klok). Als we ooit nog 1 klokje erbij plaatsen (f2), sluit de reeks perfect af. De nieuwe luidklokken werden gewijd en kregen namen die refereren naar de oudste klokkenreeks (vòòr 1609) van de Gummarustoren. Op hun luidas werd een naamplaatje aangebracht. Beiaardiers
Tekst: Geert D'hollander |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
terug naar algemeen overzicht patrimonium organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||