Geschiedenis
van de beiaard van Diksmuide
Stadhuis
De beiaard hangt in de belforttoren van het
stadhuis dat in 1923 heropgebouwd werd in een mengsel van neo-gotiek
en neo-renaissance. Het is een vierkante, bakstenen toren bekroond door
een opengewerkte lantaarn met bolspits. Het bovenste register is geflankeerd
door achtkantige hoektorentjes met waterspuwers. Het belfort behoort
sinds 1999 tot het UNESCO-Werelderfgoed. Het eerste schepenhuis op dezelfde
plaats dateert van 1428 en werd in 1567 vervangen door een groter. In
1875 werd het grootste gedeelte gesloopt en vervangen door een neo-hooggotisch
stadhuis van architect Louis Delacenserie, dat op zijn beurt getroffen
werd door Duitse obussen tijdens WO I, waarna het huidige stadhuis gebouwd
werd.
Eerste voorslag met jacquemarts
In 1408 bezat Diksmuide een uurklok met een
mechanisme in de Sint-Nicolaaskerk. In 1444 werd een uurwerk aan de
buitenzijde van de kerk gehangen. Wanneer de eerste voorslag werd opgehangen,
is niet bekend. Ook waren er klepbeelden of jacquemarts aanwezig, genoemd
de Zot en de Zottin. In 1462 werd een klok gegoten genaamd Kerstinneklok.
In 1531 werden de 'cloxkens van thorloge' naar Brugge gevoerd om te
worden hergoten. Ook het horloge werd naar Ieper gezonden om te worden
hersteld. In het zelfde jaar werd Jooris de Hoosche betaald "van te
snijden een man die t'horloge slaet ende thoofte van eene vrouwe staende
an de wijsere." De vier voorslagklokjes die te Brugge hergoten waren,
voldeden niet en werden in 1532 hergoten door een klokkengieter van
Mechelen, waarschijnlijk Peter of Medart Waghevens.
In 1556 en 1563 moest telkens een gebroken hand van de Zot worden hersteld.
In 1564 was er een grondige restauratie van het gehele uurwerk en de
jacquemarts. Waarschijnlijk bleven ze slechts in gebruik tot 1569, toen
de vier 'apeelen' afgekoppeld werden om bij de rest van de klokken binnen
in de toren te worden gehangen.
In 1560-61 goot Simoen Hudebaert uit Bergen
(Mons) vier luidklokken, twee grote van 3726 pond oud klokkenspijs en
later twee kleine van 697 pond nieuw klokkenspijs. Men ging ook rond
in de stad om bijdragen en metalen in te zamelen.
In 1563-64 kreeg Sarels de Vette, klokkengieter, de opdracht om de klok
Nicolaeus te solderen en te herstellen. Dat volstond niet, want een
jaar later hergoot de Vette deze grootste klok. In 1565-66 werd er weer
een omhaling gedaan voor de hergieting van twee andere luidklokken genaamd
"Kerstinne" en "Anthone". Zo werden drie van de vier klokken van Hudebaert
ter plaatse hergoten door Sarels de Vette. In 1568-69 werd de grote
klok nogmaals hergoten, deze keer door Ian Huerdebert (Huughebeert),
die voor het maken van de vorm volgende ingrediënten nodig had: "roet,
eyers, haer, cooper draet, coorden ende houpen".
In 1594 kwam een - niet nader genoemde - klokkengieter van Rijssel om
twee (luid)klokken te hergieten.
In 1568 waren er dertien klokken en werd een
nieuw klavier, trommel-speelwerk en beiaardcabine gemaakt. Heynderiick
Claren werd betaald voor "tleveren ende dtrayen van dertien clavier
stocken"; de beiaardier van Duinkerke, die nog "clocluder" wordt genoemd,
werd betaald "over stellen ende tmaken van de nieuwe clavieren van de
clocken" en Willem Gheraet werkte vijf dagen op de toren "omme te maken
de nieuwe claviere ende thuusekin daer den clocluder inne ziidt".
Een jaar later werden de vier 'apeelen' die door de jacquemarts werden
aangeslaan (zie boven) bij de andere klokken van de beiaard gehangen.
In 1594-95 kreeg Hubrecht Huwyn uit Sint-Omer de opdracht om van twee
oude klokjes en 183 pond ander ijzerwerk drie 'apeelen' te gieten. In
1599-1600 werden zes klokjes van de beiaard naar Marcx Le Serre in Doornik
verscheept naar Ieper om hergoten te worden. In Ieper is er nog sprake
over slechts vijf klokjes, met een totaal gewicht van 1.016 Ieperse
pond. De vijf hergoten klokjes wogen echter 270 pond meer, nl. 1188
Ieperse pond, zodat het verschil werd terugbetaald aan Le Serre.
Diksmuide werd gedurende de hele 17de eeuw
en de eerste helft van de 18de eeuw geconfronteerd met aanrukkende legers,
veldslagen, plunderingen, verwisseling van strijdmachten, etc. De stad
werd hierdoor uitgemolken, en het is dan ook verwonderlijk dat er desondanks
toch geld was voor beiaard en torenuurwerk.
In 1616 werden er klokken hergoten door enkele klokkengieters onder
leiding van Joseph Michelin (Merghelin). Het gaat om zo'n 1000 pond
klokkenspijs. In 1647 werd Diksmuide door de Fransen ingenomen en werden
alle klokken opgeëist. Ze werden teruggekocht tegen 1600 £. In 1668
brandde de toren af en werd de beiaard verwoest. In 1671 werd Joannes
Lefever uit Antwerpen ontboden voor het hergieten van de gebroken (luid)klokken.
In 1672-73 werd Jacques Sagon betaald voor het gieten van 23 nieuwe
beiaardklokken met een totaal gewicht van 19.000 pond. Pater Philippe
Wyckaert uit Gent kwam de klokken keuren en de trommel versteken. Pas
in 1674-75 werd Peter De Ruysschere betaald voor het maken van een stal
waar de klokken moesten gegoten worden, en voor arbeid bij het uithalen
van de klokken. Het gaat hier wellicht om een achterstallige betaling.
In 1676-77 kwam Nicolays Van Roye, horlogemaker uit Gent, instructies
geven om een nieuw horloge te maken. Pieter Van Borre werd betaald om
160 pond ijzerdraad te halen in Rijssel voor het automatisch spel. De
trommel met hamers en ander toebehoren, goed voor een gewicht van 5600
pond, werden vanuit Brussel getransporteerd. Opnieuw kwam Pater Wyckaert
uit Gent om de nieuwe trommel te inspecteren en te versteken.
In juli 1695 werd de stad belegerd en werden de klokken opgeëist, maar
de stad kon een akkoord bereiken met de generaal van de artillerie om
de klokken af te kopen. Een bombardement in 1696 reduceerde het kerkgestoelte
tot ruïne en bedolf het orgel helemaal onder gruis, maar de toren bleef
gespaard.
In 1698-99 werd een akkoord gemaakt met klokkengieter Jan Baptiste Seiguier
(Seigneur, Seignier) voor het gieten van een nieuwe stadsklok. Er werd
in totaal 938 pond klokkenspijs verzameld. Volgende zaken worden aangehaald:
rode steen en aarde voor het maken van de vorm, drie kleine wapens ter
versiering van de klok, hout om te stoken, en gewichten om de klok te
wegen.
Hergieting klokkenspel 1699
Op 5 februari 1699 werd besloten om de grote
klok en de kleine klokjes van het klokkenspel te hergieten. Enkel de
drie (op één na) grootste klokken van Sagen bleven bewaard. Opnieuw
werd Jan Baptiste Seigneur (Seiguier) aangesproken. Buiten de te hergieten
klokken, die men in stukken sloeg, werd er voor zo'n 1400 pond extra
metaal, koper, tin en klokkenspijs aangekocht. Vermoedelijk werd de
beiaard uitgebreid, misschien wel tot 30 klokken zoals in die periode
gebruikelijk was. De klokken werden ter plaatse door Seigneur gegoten.
Er wordt melding gemaakt van volgende benodigdheden: manden om de klokkenspijs
op te halen en weg te voeren, gereedschap om de klokken te breken, leem
uit Eessen voor de vormen, en 2000 dakpannen voor de klokkenstal. Ook
het stadshorloge werd grondig nagekeken door Jan Dedieu.
In 1713-14 werden er opnieuw enkele grote
klokken hergoten, waarschijnlijk de grote en de O.L.Vrouwklok, door
een niet nader genoemde klokkengieter.
In 1721 teisterde een zware storm toren en beiaard, waarbij de haan
en het kruis afbraken, de grote klok barstte, en de torenspits, het
stadshorloge en het klokkenspel grote schade opliepen. Gedurende twee
jaar heerste er grote bedrijvigheid om de nodige klokken te hergieten.
Uit Ieper werd 697 pond rood koper en tin gebracht, daarnaast nog 98
pond Engels tin. Opnieuw gingen werklieden, timmerlui, metsers en smeden
aan de slag om in augustus 1721 de klok te kunnen gieten. Aarde werd
aangebracht en de stadsklok werd in stukken geslagen. De opdracht ging
naar Antoine Bernard uit Lotharingen, die ook enkele beiaardklokjes
hergoot. Gewoontegetrouw werd er bij de pas gegoten klokken gewaakt,
zodat ze niet gestolen werden. Verder werden de nodige hamers gesmeed
voor de beiaard en werd deze opnieuw opgehangen, de torenspits werd
hersteld, wijzerplaten werden aangebracht en verguld, stukken vervangen
in het stadshorloge en het automatisch spel, etc. De totale schade aan
toren, uurwerk en beiaard bedroeg bijna 4000 £.
In 1722 werd er weer 1600 pond klokkenspijs uit Ieper aangekocht, en
daar kwam nog zo'n 500 pond Engels tin en muntstukken bij. Werden in
1721 enkel kleine klokken hergoten, en was pas in 1722 de grote klok
aan de beurt? Of was de grote klok gebarsten, werd de beiaard uitgebreid?
Feit is dat de grote klok de geschiedenis inging met het jaartal 1722,
en dat zowel in 1721 als 1722 meerdere klokken hergoten werden. Aan
Antoine Bernard werd in 1723-24 nog 504 £ betaald voor hetgeen hem nog
restte in de hergieting van de gebarsten klok. De grote klok werd gedurende
19 dagen een half uur dagelijks geluid, om te zien of ze (deze keer?)
sterk genoeg was. Kanunnik Drubbel uit Torhout werd overgebracht om
de beiaard te keuren.
Joannes Dedeckere verstak in 1723-24 de trommel en deed enkele herstellingen
aan het horloge. Een jaar later werd Joannes Basenrieu (Baguenrieux),
beiaardier van Brugge, ontboden om gedurende vier dagen de uurslag en
de beiaard te repareren.
In 1731 werd de O.L.Vrouwklok hergoten. In 1761-62 werd er een beiaardwedstrijd
gehouden om een nieuwe beiaardier te benoemen.De kandidaten waren vermoedelijk
Valerianus Dezitter en Anthone Lorret, vermits ze beiden vermeld worden
dat jaar als beiaardspeler. Enkele beiaardklokken werden hergoten door
Guilmain (Guillemin).
In 1764/65 leverde Pieter Dedeckere, stadshorlogemaker, driehonderd
nieuwe noten voor het automatisch spel. Anthone Loret was beiaardier
op dat moment en dus winnaar van de beiaardwedstrijd.
Tijdens de Franse periode bleef de beiaard
doorspelen. Op 22 februari 1853 liep de kerktoren door blikseminslag
zware schade op. Er werd besloten om de beiaard (ophanging van de klokken
en torenuurwerk) te laten herstellen. De opdracht was voor een zekere
Bouvrerie uit Brugge die liet weten dat het eveneens nodig was om verschillende
klokjes opnieuw te laten gieten (1853). Was de gieter De Vuyst waarvan
één klokje bewaard is uit 1853 (zie curiosa)? In de tweede helft van
de 18de eeuw werden nog enkele klokken toegevoegd door Severinus Van
Aerschodt.
In 1905 voerde M. Gonthier herstellingswerken
uit. De beiaard telde toen 32 klokken en 6 luidklokken. In 1914 werd
de beiaard samen met de hele kerk in puin gelegd. Gedurende 21 jaar
was er geen beiaard meer. Wel werden er in de Sint-Nicolaaskerk nieuwe
luidklokken gehangen in 1925 van G. Slegers-Causard. Vier luidklokken
werden opgeëist in WOII tijdens de klokkenroof, de kleinste mocht blijven
hangen als luidklok.
Reeds in 1923 werd besloten om een nieuwe
beiaard aan te schaffen en onderhandelingen aan te knopen met Jef Denijn.
Pas in maart 1935 werd dit besluit in praktijk omgezet en kwam de firma
Michaux van Brussel kijken waar een nieuwe beiaard zou kunnen gehangen
worden. Ook werd onderhandeld over de vereffening van oorlogsschade
bij het Ministerie om een vergoeding te krijgen voor de beiaard. Op
26/4/1935 werd een beiaard besteld aan de prijs van 112.000 BEF. Michaux
werkte samen met Marcel Michiels Jr., die uiteindelijk de klokken goot.
Op 9 oktober woonde de stadssecretaris de keuring van de beiaard bij
door Jef Denijn. De beiaard werd volledig opgesteld in de werkhuizen
van Somers in de Lange Nieuwstraat en beurtelings bespeeld door Jef
Denijn en Staf Nees. Alles werd in orde bevonden en Jef Denijn leverde
een getuigschrift waaruit de "hogere hoedanigheid" van de klokken, trommel
en klavier moest blijken. Desiré Somers bezorgde het klavier en de trommel.
Het uurwerk kwam waarschijnlijk van Edward Michiels uit Mechelen.
De officiële receptie van de beiaard had plaats op zondag 27 oktober
en Jef Denijn speelde op de beiaard. Ook Staf Nees zou komen met enkele
leerlingen van de beiaardschool. In 1945 werd Jozef Vanblaere officieel
tot stadsbeiaardier benoemd. Hij was reeds officieus beiaardier sinds
1938. Nadat hij op pensioen ging op 1 januari 2001, werd er geen nieuwe
beiaardier meer aangesteld. Hopelijk komt hier snel verandering in.
Bij de inrichting van een nieuwe beiaard,
werd een trommeltje geleverd voor 40 hamers, met stiften reeds aangebracht
voor de melodieën "Dan mocht de beiaard spelen" en "Het loze vissertje".
De trommel werd nooit verstoken omdat er geen extra toonstiften waren
geleverd en het stadsbestuur geen geld wilde besteden aan nieuwe. In
1986 voerde Clock-o-matic een restauratie uit. Het klavier uit 1935
bleef behouden, de hamers van het automatisch spel werden vervangen
door elektromagnetische hamers, gestuurd door een 'Cariomat 2000' speelcomputer.
De oude trommel en het uurwerk, die oorspronkelijk achter het klavier
stonden, werden buiten werking gesteld en enkele verdiepingen lager
opgesteld. De melodieën werden ingespeeld door Jozef Vanblaere en sindsdien
niet meer vervangen.
Historische curiosa
· Origineel contract van Sagen uit 1672 (Stadsarchief Brugge,
bundel 'carillon') £
· 1 klok met inscriptie "A. De Vuyst .Brugge.1853" plus de afbeelding
van een vuist (kluis Sint-Niklaaskerk)
. trommel en klavier van Somers, 1935 (stadhuistoren) In het stadsmuseum
bevinden zich volgende klokjes:
· 2 anonieme (beiaard?)klokjes met het wapenschild van Diksmuide
· klokje (slagtoon g3) gegoten door Ch. Brondel Jacquart
. gewijd klokje met kroon en Latijnse tekst, vermoedelijk 17de eeuw
Overzicht stadsbeiaardiers
1556 Jan Vandenbroucke, clockluydere
?-1595 Jan Deneve, clockluuder Pieter Pelle, vervanger vanaf 1592
1595-na 1599 Pieter Pelle, clockluder en beyaerden
1608 Charles Le Dieu, clockspeelder
1656 Joos Chasselet, oppasser der horloge
1676 Pieter Van Borre?
1681-1697 Jacob Vanborre, clockluyder (beyaardspeler)
1697- na 1717 Alexius Willaert
1697/98 Jacob Lesy, gaede slaender van de horloge
1713/14 Pieter Minne, versteek trommel
1715-1719 Gheeraert Dedeckere, trommel, horloge
1719-1749 Joannes Dedeckere (+11/11/1749) trommel, horloge
1727/28 Franciscus Weyne, klokspelder Alexius Willaert is dan zangmeester
1749-1760 P.J. Deschildere, clockspeelder
1752/53 JF. Deschildere, opwinder horloge
1758/59-na 1796 Pieter Dedeckere, opwinder horloge
1761/62 Valerianus Dezitter, clockspeler
1761- na 1787 Anthone Lorret, clockspeler
1904 Emiel Vermeirsch
1938-1/1/2001 Jozef Van Blaere (°1917)
Tekst: Liesbeth Janssens
|