Geschiedenis
van de beiaard van Deinze
Van de middeleeuwen tot 1986
In 1381 en 1382 werden halle (met stadsarchief),
kerk en kloosters door de Gentenaren in brand gestoken. Deze ramp veroorzaakte
het ontbreken van bescheiden die dateren van vóór 1400. Gelukkig kon
het archief, aangelegd vanaf 1400, vermoedelijk grotendeels bewaard
blijven (Alg. Rijksarchief Brussel, Rijksarchief Gent). De eerder schaarse
doch interessante gegevens over uurwerk, klokken en beiaard danken we
aan geduldige en competente vorsers zoals de heren Albijn Van Den Abeele,
Achiel Cassiman, Herman Maes, Paul Huys e.a.
De beiaard zou niet op de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, maar op
de Halletoren hebben gehangen. De halle stond, tot 1792, midden op de
markt, was opgetrokken in gotische stijl en prijkte met 4 hoektorentjes.
Bovendien zou er vóór de vernieling van 1580 nog een grotere toren als
belfort hebben gediend. Deze toren was voorzien van een mechanisch uurwerk
(vermeld in 1406) en een klok, de zogenaamde 'scelle', 'slaepclock',
'ruustclock, 'huerclocke' (= uurklok), en later van enkele kleinere
klokjes.
In 1435 valt het woord beiaard. Toen werd de vrede met Frankrijk gevierd.
"1435 - Item, ghegheven Janne den Meye ende sinen gheselle dat si luudden
metten clocken ende beijaerden ter prossesien ende messe die ghedaen
waren om den poeys van Vranckerike…"
In 1484 levert meester Pieter Vleesch uit Ieper een uurwerk en zes klokken
om in akkoord te spelen. De kerkbaljuw werd belast met het onderhoud
van klokjes en uurwerk. We kunnen vermoeden dat de klokjes zijn verbonden
met het uurwerk. Een klokkenspel!
In 1485 plaatst Jan de Poirtere uit Kortrijk zes mannetjes op de toren
(van de halle) om te slaan op de klokken van 't 'appel'. Weer een bewijs
van het bestaan van een nog zeer bescheiden klokkenspel of beiaard.
In 1515 herstellen Jan Van Spiere, "orlogemeester van audenaerde", en
Jan Wittevronghele (smid te Deinze) het uurwerk op de halle. Zij plaatsen
tevens twee nieuwe wielen "om den voorslach te spelen". De voorslagmelodieën
worden uitdrukkelijk genoemd. Tijdens de paastijd weerklinkt vóór de
uurslag het Regina Caeli en vóór het halfuur het Victimae paschali laudes.
In de advent krijgen we als voorslag vóór het uur het Conditor Alme
Siderum en vóór het halfuur een Benedicamus Domino. Over de melodieën
van de overige periodes van het kerkelijk jaar zwijgen de rekeningen.
Hier moet er weer een verband zijn met de kerk: de voorslagen zijn gregoriaanse
melodieën.
Stilaan werd het aantal klokjes uitgebreid, vandaar meer mogelijkheden:
langere voorslagen en, naast éénstem-mige melodieën ook meerstemmigheid.
Te Deinze levert meester Jan Waghevens uit Gent in 1550 elf nieuwe klokjes.
De zes uit 1484 werden hergoten en vijf nieuwe werden eraan toegevoegd.
Op 26 maart 1550 komt de geboren Deinzenaar Hendrik van Zachmoortere,
organist en orgelbouwer te Gent, samen met klokkengieter Jan Waghevens
de vereisten van de nieuwe beiaard bespreken. Op 28 juli 1550 komt diezelfde
Zachmoortere nogmaals naar Deinze om, samen met de organisten van de
Sint-Niklaas- en Sint-Michielskerk te Gent, "te visiteren daccort" van
de elf nieuwe klokken.
In 1572 werd de organist van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Deinze, Johannes
Coperman, door de stad vergoed met 3 pond voor het "steken van liedekens
op den voorslag van der huerclocke deser stede ende daerup somtijden
ghespeelt hebbende …" Dus deze organist zorgde voor nieuwe voorslagen
en speelde soms op de beiaard. Was er ook al sprake van "recitals" avant
la lettre? Het is best mogelijk dat de beiaard in 1550 van een klavier
werd voorzien, zoals dat bij zoveel andere reeds het geval was: 1510:
Oudenaarde, 1532: Brugge, 1553 Gent enz. Het jaar 1580 betekende "de
dood van Deinze". Franse Hugenoten maakten zich schuldig aan gruwelijke
misdaden en staken tenslotte op 6 maart 1580 de hele stad in brand.
Uiteraard verstomde ook de beiaard in deze ramp. In 1632 was de halle
herbouwd, met haar vier hoektorentjes maar zonder belfort. De beiaard
werd niet meer hersteld, ook niet na de tragische brand van 1792 waarna
de halle totaal werd gesloopt en, in 1840, vervangen door een stadhuis.
In 1986 was er opnieuw sprake van een beiaard.
De eventuele plaatsing in de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk was
al sedert 1980 onderwerp van gesprek. Nu men in deze kwestie een definitieve
beslissing wilde nemen, werd aan de Culturele Raad, onder voorzitterschap
van de heer H. Van Hoey, gevraagd te peilen naar de mening van de aangesloten
verenigingen. Meer dan 50% van de verenigingen beantwoordde het enquêteformulier
en van deze antwoorden was meer dan de helft positief. De meest voorkomende
motivering voor het plaatsen van een beiaard was, dat het zou bijdragen
tot de luister van de stad. Op deze wijze zou er iets van waarde opgebouwd
worden voor de komende generaties. Verenigingen die negatief antwoordden,
vonden dat in tijden van crisis en besparingen, een dergelijke uitgave
niet verantwoord was. Daar de meerderheid echter positief stond tegenover
de plaatsing van een beiaard werd aan het Stadsbestuur een gunstig advies
overgemaakt. De Culturele Raad was van oordeel dat een beiaard een verrijking
van het cultuur-patrimonium zou zijn en de stad aan aanzien zou doen
winnen. De gemeenschap van vandaag mag en moet investeren voor de generatie
van morgen. Geld besteden aan een cultureel project als dit, is op lange
termijn zeker geen verloren geld. De nieuwe beiaard kwam tot stand dank
zij het Stadsbestuur, de Dienst Monumenten en Landschappen van de Vlaamse
Gemeenschap en een 250-tal sponsors.
Een beiaard met groteterts-klokken
De beiaard die in de zomer van 1988 gegoten
werd door de Koninklijke Eijsbouts klokkengieterij te Asten (NL) bestaat
uit 37 grote tertsklokken. Deze majeurklok is een geheel nieuw type
klok dat in 1983 door genoemde klokkengieterij, te samen met de Technische
Universiteit van Eindhoven, ontwikkeld werd. Het gaat om klokken waarvan
één van de voornaamste boventonen geen kleine of mineurterts met de
hoofdtoon vormt, maar een grote of majeurterts. Reeds in de 19de eeuw
probeerden Duitse gieters dergelijke klokken te vervaardigen maar pas
dankzij de hedendaagse computer-technieken werd deze klok ook inderdaad
gevonden. Dank zij de majeurterts ligt dit type klok gemakkelijker in
het gehoor; zij laat tijdens de aanslag minder dissonanten horen dan
de mineurklok. Vooral leken stellen dit bijzonder op prijs. De stad
Deinze verrichtte een uitstekende daad door zo'n beiaard aan te brengen.
De eerste beiaarden die door de Kon. Eijsbouts in dit type gemaakt werden,
riepen bij sommige beiaardiers de wens op om toch wat dichter bij de
klassieke klok te blijven. Dat is in de beiaard van Deinze voor het
eerst gerealiseerd en met succes! De uitklinktijden zijn aanzienlijk
langer dan bij mineurklokken: g1 = ca. 105 sec. i.p.v. 75 sec. Vanaf
g4 zijn de uitklinktijden ongeveer gelijk. Ook de onderlinge verhouding
tussen de boventonen is evenwichtig. Men mag stellen dat dit klokkenspel
aangenaam en niet opdringerig klinkt, fraai is van klank en zuiver van
stemming.
Op 29 oktober 1988 werd de nieuwe beiaard ingehuldigd. "Hij bezit alle
kenmerken om de Deinzenaars met zijn heldere klanken aan zich te verplichten",
zei Dr.A. Lehr in zijn rapport.
In 1994 werden er nog eens 11 klokken aan de beiaard toegevoegd, wat
het totaal op 48 klokken bracht.
Tekst: Aimé Lombaert
|