Home
 
 

 

BEIAARDCOMPONISTEN - Herman Roelstraete

Herman Roelstraete (°1925), "Muziek tussen oud en nieuw", door Koen Cosaert

 

Net als bij veel andere componisten, heeft de beiaardmuziek slechts een zeer bescheiden plaats in het totale oeuvre van de West-Vlaamse componist Herman Roelstraete. In zijn rijk oeuvre van meer dan 160 opusnummers ontdekt men 3 werken voor beiaard: Drie Oden opus 53, Kleine Diptiek opus 61 en de Partita Dorica opus 71. Toch loont het om even bij deze muziek stil te staan. In het beiaard-repertorium vallen deze werken op door hun grote kwaliteit, speel-baarheid en unieke zeggingskracht.


Herman Roelstraete in 1983
Foto: Raf Lesage (archief Miep Roelstraete)


Muzikale vorming

Herman Roelstraete, geboren in 1925, groeide op te Lauwe in een muzikaal gezin met vijf kinderen. Iedereen in huis speelde of zong. Het familieorkestje speelde zelfs bewerkingen van ouvertures van Mozart, Rossini, Flotow en Suppé. Noten las men er eerder dan letters. In 1938 trok hij naar de kosterschool in Torhout, een instituut waar heel wat West-Vlamingen als Albert Vanhautte, Chris Dubois en Roger Deruwe hun muzikale carrière startten. Hij kreeg er les van twee laureaten van het Lemmensinstituut: kanunnik Paul François (harmonie) en Norbert Bogaert (piano en orgel). Meteen werd duidelijk hoe getalenteerd de jonge Roelstraete was. Na het behalen van het kostersdiploma in 1942 trok hij, aangespoord door zijn vroegere leraars, naar het verre Mechelen om er te studeren aan het Lemmensinstituut. Toen de oorlog het treinverkeer van tijd tot tijd bemoeilijkte legde hij de lange afstand, zowat 120 km, zelfs meerdere malen per fiets af. Later beweerde Roelstraete glimlachend dat hij toen ook veel voelde voor een carrière als renner.

Te Mechelen studeerde hij orgel bij Flor Peeters, muziekesthetica en koordirectie bij Jules Van Nuffel, harmonie bij Henri Durieux, piano en contrapunt bij Marinus de Jong. In 1946 werd Roelstraete er laureaat met grote onderscheiding. Meteen verhuisde hij naar het Brussels Conservatorium, hiertoe aangezet door Van Nuffel. Hij behaalde er eerste prijzen voor orgel bij Paul de Maleingreau, voor zang bij Maurice Weynandt en voor contrapunt bij Marcel Poot. Nadien ging hij nog eens fuga studeren bij Prosper Van Eechaute te Gent.

Deze veelzijdige musicus startte zijn loopbaan als leraar zang aan de muziekacademie Peter Benoit te Harelbeke. Ook als solist kende hij succes. Zo nam hij te Mechelen de tenorpartij voor zijn rekening in Bachs Magnificat. Het dirigeerstokje werd toen gehanteerd door Staf Nees. Aan deze carrière kwam in 1953 een eind door een tijdelijke verlamming van de stem-banden. Voortaan zal Roelstraete zich op het vocale vlak verdienstelijk maken door het stichten en dirigeren van menig koor en vocaal ensemble.

Ondertussen was hij reeds drie jaar directeur van de Muziekacademie te Izegem. Bij deze benoeming was hij toen de jongste directeur in België. In 1954 trok Herman Roelstraete opnieuw naar het Brussels conservatorium om er bij René Defossez orkestdirectie te studeren. Bij Francis de Bourguignon en Marcel Poot volgde hij orkestratie en compositie. Met het Brussels conservatorium zou Roelstraete trouwens zijn leven lang contact houden, zij het voor zijn opzoekingen in de bibliotheek, zij het als docent praktische harmonie van 1969 tot 1981.1

Herman Roelstraete wilde ook nieuwe wegen bewandelen. Van Mattyas Seiber, ooit leerling van Zoltan Kodaly, kreeg hij in 1957 te Londen les in de dodecafonie.

De componist

Zijn opdracht als pedagoog, organist, koor- en orkestdirigent belette Herman Roelstraete niet om daarnaast ook continu te componeren. Hiermee begon hij reeds op zeer jonge leeftijd. Tijdens de studietijd aan de kosterschool schreef hij, haast vanzelfsprekend, een aantal motetten en een mis. Het feitelijke opus 1 komt er in 1942 met zijn Kleine triptiek voor symfonisch orkest. Dit is meteen de start van een niet aflatende creativiteit. Bij zijn overlijden in 1985 laat hij een oeuvre na, dat met uitzondering van de opera, zowat alle genres bevat. Wat de instrumentale muziek betreft componeerde hij 4 symfonieën, drie strijkkwartetten, kamermuziek voor verschillende bezetting, 13 orgelwerken en heel wat pianomuziek. Voor koor schreef hij een negental missen en ontelbare koorwerken. Met het koorwerk "Lichtbericht voor mens" won hij in 1961 de provinciale wedstrijd voor toonkunst, één van de vele compositieprijzen die Herman Roelstraete in de wacht sleepte. De vocale solist bedacht hij met 6 liedcycli. Het meest bekend werd hij echter met zijn composities voor grotere bezetting zoals de oratoria "Kersthalle" en de "Passie volgens Rubens". Zijn oeuvre groepeert werken van de grootste verscheidenheid. Hij com-poneerde zowel voor de kinderen in de muziekschool, voor de eenvoudige kerkkoren in West-Vlaanderen als voor de meest professionele uitvoerders. Daardoor kon zijn componeerstijl vaak zeer verschillend zijn. Naar gelang de bestemming van het werk schreef hij nu eens zuiver tonaal, dan weer atonaal of zelfs dodecafonisch. Veel koorwerken van Roelstraete maken sedertdien deel uit van het basisrepertorium van menig West-Vlaams koor.2

De musicoloog

Herman Roelstraetes ijver kende geen grenzen. Was hij als componist nieuwsgierig naar iedere nieuwe stroming in de muziek, als musicoloog koesterde hij het Vlaams muzikaal verleden als geen ander. De kiem hiervoor werd gelegd tijdens zijn studies aan het Lemmensinstituut. Directeur Jules Van Nuffel, stichter van de eerste opleiding musicologie in België, verrichtte baanbrekend werk met de uitgave van de Opera Omnia van de Mechelse polyfonist Phillipus De Monte. Roelstraete kon niet begrijpen dat er in Vlaanderen sedert de periode van de polyfonie nauwelijks muziek van enig niveau was gecomponeerd. Dit zette hem aan tot onverdroten onderzoek in de vele archieven en kerkdoksalen in ons land en dit lang voor de grote doorbraak van de oude muziek. Heel wat oude partituren werden door hem opnieuw uitvoerbaar gemaakt. Waar er al eens een partij of een bladzijde ontbrak werd de leemte vakkundig aangevuld. Telkens werd deze muziek dan ook opnieuw uitgevoerd met de ensembles die hij ter beschikking had. Zo bracht hij de wereldpremière op LP van het Requiem van de Gentse kapelmeester Frans Jozef Krafft. Andere componisten wiens werk hij van onder het stof haalde, zijn: Johannes Blondeel, Ernest Brengier, Pieter Busschaert, Pieter Cornet, Henri-Jacques Decroes, Karel Lodewijk Hanssens, Eduard Mechelaere, Alfons Mervillie, Edgar Tinel, Abraham van den Kerckhoven, Jacobus Vaet, Karel van Helmont, Pieter Vanderghinste en Aegidius Vernimmen. Meer waardering wilde hij ook voor de muziek van Peter Benoit. Met het Kortrijks Gemengd Koor en het BRT-Koor realiseerde hij de eerste opname van zijn Requiem.

Drie Oden

Wie geïnteresseerd is in Vlaanderens muzikaal verleden, komt sowieso terecht bij de beiaard. Herman Roelstraete ontmoette in het begin van de zestiger jaren te Harelbeke de nieuwe stadsbeiaardier Ghislain Pouseele. Pouseele, die er sedert 1951 organist van de collegiale St.-Salvatorkerk was, begon zijn beiaardstudies naar aanleiding van de installatie van de nieuwe Michielsbeiaard in 1960. Het vorige instrument was samen met de toren in de Tweede Wereldoorlog opgeblazen. Pouseele volgde les bij Staf Nees en Jef van Hoof en deed zich vrij vlug opmerken door zijn virtuositeit op het instrument. In 1965 behaalde hij de Virtuositeitsprijs van de Mechelse Beiaardschool en hij werd als winnaar aangeduid van het "Internationaal Beiaardconcours" te Hilversum. Ook als componist van beiaardmuziek werd hij verschillende malen bekroond.

Roelstraete voelde zich door het beiaardspel van Pouseele geïnspireerd en in 1963 schreef hij voor beiaard zijn opus 53, de "Drie Oden" voor beiaard. Het eerste van de drie, de Toccata, werd een hommage aan Matthias Vanden Gheyn, de gemeenschappelijke noemer tussen de beiaardkunst en zijn interesse voor de Vlaamse barokmuziek (afb.1). Bij het lezen van deze partituur ontdekken we meteen een aantal karakteristieken van Roelstraetes stijl. Je kan hem een neoclassicist noemen. Vaak greep hij terug naar historische vormen en schrijfwijzen. Zijn musicologische interesse is hieraan niet vreemd. Zo begint deze Toccata in een onvervalste Vanden Gheyn stijl. Zijn persoonlijkheid als componist is echter zo sterk, dat hij telkens de luisteraar weet te verrassen met onverwachte modulaties, contras-terende delen of grillige motieven. Zo doorbreekt hij de traditionele toccatastructuur met een traag middendeel op een ostinaat gegeven van vier kwartnoten (afb. 2).


Ghislain Pouseele, stadsbeiaardier van Harelbeke van 1960 tot 1989
Foto: archief Ghislain Pouseele

Een tweede constante in Roelstraetes oeuvre is de sterke invloed van de modale muziek. Dit kenmerk is typisch voor vrijwel alle componisten, die ooit in het Lemmensinstituut studeerden. Als school voor kerkmuziek was de studie van het Gregoriaans er uiteraard een basisonderdeel van de opleiding. De modale sfeer van re dorisch wordt in het begin van de eerste Ode meteen duidelijk.

Een derde gegeven is dan weer het opbouwen van een compositie met celmotieven. Reeds eerder werd het ostinaatgegeven in het middendeel besproken. Ook wordt de melodie in de baslijn in maat 2 tweemaal permuterend herhaald (maat 9 en maat 15). Hetzelfde muzikaal gegeven vormt dan ook het thema van het middendeel in maat 32.

De tweede Ode werd als "Minuetto" een hommage aan Joseph Haydn.3 Het veelvuldig gebruik van hopfiguren verwijst direct naar de menuetten uit Haydns klaviersonates (afb. 3). In dit werk komt het streven naar grote contrasten heel sterk tot uitdrukking. Zo is de relatie tussen de toonaarden van menuet en trio veel meer uitgesproken dan bij Haydn. De zeer modaal klinkende toonaard van la klein van het menuet contrasteert scherp met de lyrisch zingende van mi groot in het trio. In het middendeel van het trio wordt de modale sfeer van het menuet weer geëvoceerd maar nu in de toonaard van sol# klein (afb. 4)! De zin voor extremen is trouwens ook duidelijk in het middendeel van het menuet. De uitersten in klanknuances volgen er elkaar snel op (afb.5). Een buitenbeentje in de beiaardliteratuur is zeker en vast de derde Ode aan Arnold Schönberg. Het is een werk in pure dodecafonische stijl. Op een reeks die alle twaalf chromatische tonen bevat wordt gevarieerd. Vandaar de titel "Variazioni". De reeks wordt zo opgebouwd dat er tussen geen enkele noot tonale spanning optreedt. De reeks of grondvorm die Roelstraete samenstelde is do-sib-sol-mib-solb-la-fa-mi-si-do#-sol#--re (afb. 6).

Na de voorstelling van de grondvorm volgen tot en met maat 19 acht variaties, waarin de volgorde van de 12 tonen gerespecteerd wordt. In maat 20 verschijnt de grondvorm in kreeftbeweging, dat wil zeggen van achteren naar voor. Tussen maat 20 en maat 29 horen we, als een soort middendeel in de compositie, de grondvorm vijf maal in kreeft. Uiteindelijk verschijnt vanaf maat 30 de reeks nog driemaal in grondvorm. Het variëren gebeurt onder meer door het spelen met ritmische figuren en wisselende maatsoorten. Het gebruik van de dodecafonie betekent niet dat Roelstraete zich laat beperken door een wiskundig systeem. Integendeel, deze Ode aan Schoenberg illustreert zijn grote muzikale creativiteit. De Drie Oden werden opgedragen aan Ghislain Pouseele. De muziek ontstond dan ook in samenwerking met deze beiaardier. Telkens een deel af was, ontmoetten de componist en de uitvoerder elkaar aan de toren te Harelbeke. De nieuwe muziek werd uitgetest wat de speelbaarheid betrof en meteen kon Roelstraete horen wat het klinkend resultaat was van zijn geschrijf.

Kleine Diptiek

De Kleine Diptiek opus 61 componeerde Roelstraete in 1965 opnieuw voor de Harelbeekse beiaardier. Het oorspronkelijk handschrift draagt de vermelding "voor Ghislain Pouseele bij zijn bekroningen te Hilversum en Mechelen 11 en 14 juli 1965". Op dat moment behaalde Pouseele zowel de eerste prijs te Hilversum als het virtuositeitdiploma te Mechelen. Hierover schreef Roelstraete later: "Pouseele werd hier schitterend eerste eindlaureaat voor beiaardiers met naam en faam. Geduchte muziekcritici en hoogaangeschreven juryleden spaarden hun lofprijzingen niet, en wezen, behalve op zijn virtuositeit, vooral op zijn rijke en verfijnde interpretatie en zijn zeer persoonlijke wijze van nuanceren." 4 Dit werk bestaat uit een Preludio en een Aria. De Aria toont inderdaad dat Roelstraete als zanger zich thuis voelde in vocale vormen. Breed melodische lijnen ontwikkelen zich, in analogie met de beste Vlaams romantische traditie, naar een dramatisch hoogtepunt (afb. 7). Opnieuw is de modale invloed sterk aanwezig. De Preludio werd geschreven als een fantasia en vervangt eigenlijk het klassieke recitativo van de vocale muziek.5

Partita Dorica

De Partita Dorica, het opus 71, zag het daglicht in 1968 en werd opgedragen aan Paul en Diane Vandendriessche, persoonlijke vrienden van zowel Roelstraete als Ghislain Pouseele.6 Alhoewel de Partita Dorica geïnspireerd werd door het gelijknamig genre in de barokmuziek, vertoont dit werk toch opmerkelijke verschillen wat de samenstelling betreft. Aan de traditionele danselementen refereren enkel de laatste twee delen: het Minuetto I & II da caccia en het Rondo. Zoals bij het minuetto van de tweede ode gebruikt de componist ook hier ver van elkaar verwijderde toonaarden om het contrast tussen de delen te vergroten. In het Minuetto I evolueert hij van de dorische of re-modus naar de toonaard van do klein.

Ook in het Rondo, waarvan het ritornel uiteraard in de re-modus staat, transponeert hij in het Trio de oorspronkelijke modus een halve toon hoger naar mi b. Dit veroorzaakt een scherpe breuk tussen de het Rondo en het Trio.

Het middendeel, de canzona, is van oorsprong een vocaal genre binnen de polyfonie, dat naderhand voor klavier bewerkt werd. Roelstraetes canzona voor beiaard verwijst door zijn cantabilekarakter naar de vocale oorsprong van dit genre. Net zoals bij Bach opent bij Roelstraete de partita met een Fantasia. Wellicht had de componist echter de traditionele fantasia-fugacombinatie uit de orgelmuziek voor ogen. Het volgende en tweede deel is immers een fuga. Het thema van de fuga verwijst trouwens naar de basismotieven van Bachs Dorische Toccata (afb.8).

Besluit

De beiaardcomposities van Herman Roelstraete hebben een zeer typische uitdrukkingskracht. De componist combineerde zijn eigen, vaak vooruitstrevende taal met historische vormen en genres. Dit werkt bevreemdend voor veel luisteraars, want het klassieke verwachtingspatroon wordt doorbroken. Zo ontleende Roelstraete de basiselementen voor zijn tweede Ode aan Joseph Haydn, maar de luisteraar krijgt uiteindelijk geen Haydn-persiflage te horen. Deze eigenzinnigheid valt bij het brede concertpubliek niet altijd in de smaak. Wie echter openstaat voor Roelstraetes muziek, ontdekt een heel bijzondere, expressieve wereld. De speelbaarheid van zijn beiaardwerken werd gegarandeerd door de samenwerking met Ghislain Pouseele, toen één der meest virtuoze beiaardiers.

Koen Cosaert

 

 

 




 

 

organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home