BEIAARDCOMPONISTEN - Benoit J. Franssen (1893 - 1978) Kapelmeester - componist - beiaardier van de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht, door Jos D'hollander
De naam Franssen klinkt in de beiaardwereld als een klok. Benoit Franssen schreef zich in de kijker met zijn beiaardcomposities. Hij was een begaafd musicus en de vernieuwing van de beiaardinrichting door Denyn van de Maastrichtse Sint-Servaasbeiaard, heeft een rol gespeeld in zijn belangstelling voor de beiaard.
Ontmoeting met Denyn en Nees
Men was ook in Maastricht - zoals in verschillende andere Nederlandse en Vlaamse steden - op het einde van de 19de eeuw op zoek naar vernieuwing van beiaardtractuur en beiaardklavieren. Een relatief groot aantal beiaardiers uit Noord en Zuid waren er van overtuigd dat de traditionele stokkenklavieren achterhaald waren. De Maastrichtse pianobouwer Frederik Smulders voorzag in 1876 de stad Maastricht van zijn klavieren, zowel op het stadhuis als op de Servaastoren. Omstreeks 1910 installeerde Eijsbouts op de Sint-Servaastoren nog een 'concurrerende variant met pianoklavier', maar dit zou in 1934-35 even roemloos eindigen. De ontmoeting van Benoit en Jean Franssen met Jef Denyn en Staf Nees, waarover Jean Franssen schrijft, greep hoogstwaar-schijnlijk plaats in december 1934 en leidde tot de terugkeer van het oude klaviertype in Maastricht.Denyn liet dat weten aan zijn collega in New York, Kamiel Lefévere, in zijn brief van 8 december 1934. Uit die brief blijkt ook dat Benoit Franssen als musicus indruk maakte op Denyn. Niet zonder trots schreef Denyn: 'de kapelmeester Franssen, is leerling in de Beiaardschool - een knap musicus.' Dergelijke boutade van Denyn was al een diploma waard, en Franssen legde nooit eindexamen af. Hij studeerde er van 1 september 1934 tot 1 augustus 1937.1 Als knap musicus wist hij na drie jaar studie bij Jef Denyn, Staf Nees en Jef Van Hoof waar de klepel hing. Misschien achtte hij dit diploma niet eens nodig (als beiaardier was zijn ambitie strik beperkt tot zijn eigen basiliek). Dat hij voor zijn drie leermeesters de grootste waardering had (die was ook wederkerig) blijkt uit zijn beiaardwerken die hij opdroeg aan hen: zijn Preludium en Fuga in G aan Jef Denyn, Gondoliera aan Staf Nees en postume aan Van Hoof Epitaphe 'In Memoriam Jef Van Hoof'.
Koordirigent
Mathieu Steijns, erebeiaardier van Maastricht, zong als koorknaap onder Benoits leiding. Hij kreeg er ook piano en harmonie van. Franssen was een man van strenge discipline en uiterst principieel. Moeilijk bestond niet en techniek loste alles op, aldus Steijns. Zijn koor stond aan de toppen van het Nederlands koorwezen. Met uitzondering van het jaarlijks kerkconcert in Luik en één in Maastricht, wees Benoit Franssen alles af, zowel concerten als grammofoonopnamen. Het basilicakoor van Franssen bestaat nog onder de naam Capella Sancti Servatii en staat nu onder leiding van de dirigent van Italiaanse afkomst Peter Serpenti.
'Beroemd klokkengieter'
De grote fuga waarover Jean Franssen spreekt in zijn brief die hij me schreef (cfr. p.3), kan een 'test' geweest zijn van Staf Nees van zijn fuga uit Inleiding, lied en fuga op het lied 'Gequetst ben ik van binnen' (die hij enkele weken later in verbeterde of definitieve versie zou uitbrengen). Het is niet zo moeilijk om voorstellen, dat een beiaardier zijn groeiende compositie al eens uitprobeert op een echte beiaard. De indrukken die Jean Franssen als dertienjarige knaap overhield van het gezelschap, zijn wellicht vervaagd wanneer hij het heeft over een 'beroemd klokkengieter.' Het was wellicht geen klokkengieter, maar een beiaard-installateur, met name Désiré Somers. Op advies van Denyn, bijgetreden door Benoit Franssen, ging het kerkbestuur van Maastricht over tot het verwijderen van het pianoklavier van Eijsbouts en het herinstalleren van een stokkenklavier door Somers. Denyn die in Maastricht met de beiaardinrichting bezig was, schreef in 1935 naar Lefévere: "Somers is onledig met de herstelling van Sint-Servaasbeiaard te Maestricht in 't Hollandsch Limburg." Somers en Denyn vormden een duo in beiaardinrichting.
Benoit J. Franssen Foto: archief Koninklijke Beiaardschool Mechelen
Bekroonde composities
De Passacaglia, Choraal en Fuga die Franssen schreef vóór het uitbreken van W.O. II, stuurde hij pas in 1954 op voor de compositiewedstrijd in Mechelen. Hij behaalde er de Prijs 'Koninlijke Beiaardschool' mee. In 1955 won hij de Prijs van de Stad Mechelen in de categorie 'Vrije Werken' met z'n prestigieuze Variaties op een thema van Paganini. Dit werd zijn meest gespeelde compositie. In dezelfde wedstrijd kreeg zijn Fantasia op De Winter is verganghen een eervolle vermelding, vermits, volgens het reglement van de wedstrijd geen twee werken van dezelfde toondichter tegelijk konden bekroond worden. Er waren in dat jaar ruim veertig deelnemers aan de compositiewedstrijd. De dag van de prijsuitreiking voerde Staf Nees de beiaardwerken van Franssen uit op de Sint-Romboutsbeiaard. Franssen was zo in de wolken van het gehele gebeuren op die onvergetelijke dag en ging met veel van zijn vroegere vrienden de bloemetjes buiten zetten. Het was "zo gezellig, dat ik er heus geen spijt van had, dat 's avonds het honorarium van de beide composities vrijwel op was", aldus Benoit Franssen in een interview in De Tijd van donderdag 6 oktober 1955. Hij was vast van plan om het jaar daarop terug in Mechelen met een beiaardcompositie voor de dag te komen. En dat gebeurde effectief. In 1956 won hij de Jef Denynprijs met zijn Sonata. Dit was de hoofdprijs, en daarmee zette Franssen een punt achter verdere deelname aan compositiewedstrijden. Hij componeerde wel nog beiaardwerken, zoals Epitaphe 'In Memoriam Jef Van Hoof' (1959), Sprookje (1959) en Legende (1960).
Het is hoogst verwonderlijk dat deze Nederlandse toondichter, in leven ook beiaardier in Maastricht, in de Nederlandse vakpers voor beiaardiers (waar de NKV sinds 1918 haar stempel op drukt) nauwelijks voorkomt. Wie was Benoit Franssen? Jean Franssen2, internationaal concertpianist en de oudste zoon van Benoit Franssen, was zo vriendelijk om totaal onbekende biografische gegevens over zijn vader neer te pennen. Ze volgen hieronder met af en toe een kleine aanvulling.
Biografie
Benoit Franssen werd geboren in 1893 in Maastricht waar hij het diploma behaalde van onderwijzer, maar hij ging niet voor de klas staan. Tijdens zijn onderwijzersstudie liet de kerkmuziek hem niet los en onmiddellijk nadat hij gediplomeerd was, begon hij definitief met professionele muziekstudies. Dit gebeurde gelijktijdig aan het Gregorius-Haus te Aken als aan het conservatorium te Luik. Muzikaal begaafd als hij was, werd hij op 20-jarige leeftijd benoemd tot koordirecteur en organist aan de Dekanale Sint-Servatiusbasiliek van zijn geboortestad. Deze toch wel bijzondere functie zou hij gedurende 51 jaar vervullen. Met ijzersterk dynamisme en onstuitbaar idealisme bracht hij zijn basiliekkoor tot enorme bloei. Tot aan zijn afscheid in 1964 werd zijn koor gerekend bij de allerbeste van het land, aldus Jean Franssen. Publiciteit d.m.v. grammofoon-platen of concerttournées heeft hij nooit gezocht. In 1953 kreeg hij de pauselijke onderscheiding 'pro ecclesia' en in 1963 werd hij ridder in de orde van Sint-Sylvester. Maar terug naar het begin.
De oorlog van 1914-1918 onderbrak zijn studies. Hij werd gemobiliseerd en moest drie jaar militaire dienst vervullen (Nederland was onzijdig tijdens W.O.I.). Onmiddellijk na de oorlog nam hij de draad met zijn studies weer op en werd hij gediplomeerd in Aken én in Luik voor de muziekschriftuur.
Hij speelde zowel het piano als orgel. In latere jaren kreeg hij ook nog vioollessen bij professor Lejeune aan het conservatorium van Luik. Contrapunt en fuga volgde hij bij Joseph Jongen aan het conservatorium van Brussel. Benoit Franssen was veelzijdig. Ook op diverse koperblaasinstrumenten voelde hij zich thuis en hij kon er aardig op spelen, aldus Jean Franssen. Dat kwam zijn gezag als orkestdirigent ongetwijfeld ten goede.
In de jaren '20 werd hij benoemd tot leraar aan de Stedelijke Muziekacademie van Maastricht en vervolgens aan het Muziek-lyceum (professioneel, de voorloper van het tegenwoordig Muziekconserva-torium) voor alle theoretische vakken. (N.B. Volgens het interview in De Tijd werd hij in 1922 hoofdleraar harmonie aan de Stedelijke Muziekacademie). Hij verbaasde zijn studenten door zijn bijna encyclopedische kennis van de muziekgeschiedenis en zijn ongewoon groot analytisch inzicht in de muziekpartituren (staande voor de klas analyseerde hij Bach-fuga's - zeer vele - uit het hoofd, aldus Jean Franssen, telde de maten uit het hoofd enz.). Bijna alle musici in Nederlands Limburg die vandaag rond 65 jaar of ouder zijn, hebben wel ooit les van hem gehad en spreken daarover nog steeds met groot ontzag. In 1958 werd hij Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.
Muzikale stijl en voorkeuren
Met zijn zangkoor gaf hij oorspronkelijk de voorkeur aan de romantische stijl. Veel opzien baarde zijn uitvoering in 1923 van de befaamde Missa in Die Festo voor tenorsolo, dubbel mannenkoor en orgel van Alphons Diepenbrock (ook voor gemengd koor en orkest, bewerkt door Hendrik Andriessen). Later ging hij zich steeds meer verdiepen in de klassieke polyfonie (Palestrina, Lassus, en vele anderen) met als hoogtepunt (1950-1951) een aantal uitvoeringen van de Missa Hercules Dux Ferrariae (1503) van Josquin des Prez. Het Sint-Servaaskoor heeft onder zijn leiding dit werk ook uitgevoerd in Luik tijdens de 'Messe des musiciens', een jaarlijks Internationaal Muziekfestival en oogstte hiermee van de Luikse critici de hoogste lof in lyrische bewoordingen, aldus Jean Franssen.
Benoit Franssen heeft zelf heel wat composities op zijn actief. Dit deed hij voornamelijk in functie van zijn koor, bijvoorbeeld bewerkingen van kerst-liederen en eenvoudige 'gebruiks-muziek', maar daarnaast ook authentieke koorwerken zoals een grote Missa voor mannenkoor (beïnvloed door Diepen-brock) en enkele cantates. Als componist was hij een gedegen vakman en een laatromanticus. Eigentijdse stromingen lieten hem vrijwel onberoerd.
Jos D'hollander