Home
 
 

 

BEIAARDCOMPONISTEN - Gaston Feremans


De laatste romanticus, Gaston Feremans
door Koen Cosaert

 

 

 

 

Pinkster-maandag 1907, terwijl de Hanswijk-processie door de straten van Mechelen trekt, ziet Gaston Feremans in de schaduw van de Sint-Romboutstoren het levenslicht.

Vrij vlug wordt zijn groot muzikaal talent zichtbaar. Van 1914 tot 1918 volgt hij privaatlessen bij Staf Nees. De piepjonge Nees - in 1914 amper 13 jaar - maakt hem wegwijs in de harmonie en leert hem het pianospel. Deze muzieklessen waren het begin van een levenslange vriendschap. In 1964 getuigt Nees over deze periode :
"Gaston was mijn eerste privaatleerling, maar welke leerling dan! Ik heb er nooit meer een ontmoet met die ingeboren muzikale gaven, het ging allemaal spelenderwijze. Het was aan te voelen, daar moest iets uitzonderlijks uit groeien. Ik ben steeds fier geweest hem te hebben mogen inwijden in de eerste periode van zijn kunstenaarsleven. Hij is er mij steeds dankbaar voor gebleven." (1)


Gaston Feremans


Het muziektalent van Feremans werd tevens vlug opgemerkt in het St.-Romboutscollege waar hij de oude humaniora volgde. Hij was er kapelorganist en zong mee in het befaamde koor van Jules Van Nuffel. Omwille van zijn goede sopraanstem liet Van Nuffel hem vaak de solopartijen zingen. Na de schooluren studeerde hij van 1917 tot 1923 viool en klavier aan het Mechels Stedelijk Conservatorium. De lessen harmonie bij directeur August de Boeck hadden een verregaande invloed op zijn latere componeerstijl.

Door de contacten met Nees en Van Nuffel lag het voor de hand dat hij te Mechelen aan het Lemmensinstituut zou verder studeren. Van 1924 tot 1927 volgde hij lessen bij Jules Van Nuffel, Flor Peeters en Marinus de Jong. In 1929 werd zijn studie bekroond met het verwerven van de fel begeerde prijs Lemmens-Tinel. Nadien behaalde hij in 1930 de eerste prijs zang aan het Conservatorium te Brussel bij Maurice Weynandts. Orkestratie leerde hij er bij Paul Gilson, de muzikale vader van zowat alle Belgische componisten in die tijd.

Vrij vlug kent hij succes als zanger en wil zich, door het oprichten van een symfonisch orkest, profileren als dirigent. Hij krijgt ook naam als componist. Van 1933 tot 1940 engageert hij zich als koordirigent voor de Vlaamse Nationale Zangfeesten. In 1934 wordt hij, amper 27 jaar oud, benoemd tot directeur van de muziekschool te Aalst. Ondanks zijn onvermoeibare inzet voor het Aalsterse muziekleven, voelt hij er zich echter nooit helemaal thuis. Het heimwee naar zijn geboortestad Mechelen, gesymboliseerd in de monumentale Sint-Romboutstoren, blijft hem levenslang achtervolgen. Tevergeefs probeert hij er directeur te worden van het Stedelijk Conservatorium.

De dertiger jaren wordt ook gekenmerkt door een niet te stuiten muzikale creativiteit. Hij componeert er onder meer twee oratoria "Johannes De Doper" (1934) en "Maria" (1937). Voor symfonisch orkest schrijft hij het "Symfonisch Poema. In memoriam C.Franck" (1935) en de "Symfonie in do klein" (1935).

De blijvende band met Mechelen leidt tot het ontstaan van een Cantate voor de Gustaaf van Hoey-hulde (1937) en het ontwerp voor een symfonische "Ode aan Mechelen", een werk dat hij nooit voltooide. In 1938 schrijft hij toneelmuziek voor "De Legende van O.L.V.-Van Hanswijck", een Mariaspel van Anton Michel. Voor Aalst schrijft hij in 1939 de "Priester Daenscantate".

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog wordt het even stil. Aangespoord door Wies Moens, volgt hij in mei 1941 Arthur Meulemans op als muzikaal directeur van het N.I.R., een functie die hij waarneemt tot 1943. Ondertussen oogst hij met het koor 'Het Vendel' succes in geheel Vlaanderen. Zijn engagement als kunstenaar in de Vlaams-Nationale beweging wordt hem bij de bevrijding in 1944 zwaar aangerekend. Op 9 september wordt hij in zijn woning te Baardegem aangehouden en veroordeeld tot verlies van burgerrechten en 30 maanden gevangenis.

Tijdens zijn gevangenschap componeert hij heel intensief. Meer dan zestig werken, waaronder de 'Missa Recollectiones' en het bekende 'Gebed voor het vaderland' ontstaan in die periode. Hier wordt zijn voorliefde voor de vocale muziek onmiskenbaar. De inspiratie van het woord blijft voortaan een van de belangrijkste factoren in het scheppings-proces van Feremans. Hierin loopt zijn oeuvre parallel met dat van zijn leraar Staf Nees. Ook bij Nees ligt het accent in hoofdzaak op de vocale muziek. Oratoria, missen, koorwerken en liederen vormen het leeuwendeel in beider oeuvre.

Wanneer hij in 1947 de gevangenis van Mechelen verlaat is zijn gezondheid gebroken. De aanpassing aan het gewone leven verloopt moeizaam. Pas in 1958 zal hij zijn burgerrechten opnieuw verkrijgen. Hierdoor blijft hij uitgesloten van iedere pedagogische opdracht. Om den brode wordt hij te Antwerpen organist van de Sint-Augustinuskerk. Van 1951 tot 1962 vervult hij er dezelfde functie in de Sint-Antoniuskerk. Dit volstaat echter niet om in het levensonderhoud te voorzien van vijf kinderen. Zo gaat hij op zoek naar aanvullende verdiensten. Die vindt hij deels in het bewerken en orkestreren van bestaande liederen en muziek. In de hoop een geldprijs te winnen neemt hij deel aan compositiewedstrijden. Aan dit eerder tragische aspect in de biografie van Feremans dankt de beiaardliteratuur een aantal mooie bladzijden muziek.

Beiaardmuziek

Wellicht in overleg met Staf Nees neemt hij in 1951 deel aan de compositiewestrijd, georganiseerd door de Mechelse Beiaardschool. Zijn "Fantasia op thema's van de Byzantijnse ritus" wint er de tweede prijs, de prijs van de Stad Mechelen. Terwijl Henk Badings met zijn Suite toen de eerste prijs won, verwierf Jef Rottiers met "Sprookje" de derde prijs. In 1958 won Feremans met zijn "Sonatine voor beiaard" de hoofdprijs, toen Expoprijs genoemd. Beide werken van Feremans werden vervolgens door de Beiaardschool gedrukt en uitgegeven. Dit was reeds eerder gebeurd met de "Variaties voor beiaard", zijn eerste werk voor dit instrument uit 1950. Minder geluk had hij bij de wedstrijd in 1952. De "Rhapsodische hymne van pijlers, transen en kantelen" werd toen niet bekroond. Ook het "Praeludium en Fughetta" (1953) bleef onuitgegeven.

Het Bronzen Hart

De laatste tien levensjaren van Feremans nemen het componeren van twee oratoria veel tijd in beslag. In september 1955 voltooit hij "Laudes Valentini" in opdracht van de orde der Minderbroeders, naar aanleiding van de herdenking van pater Valentinus Paquay, het "Heilig Paterke" uit Hasselt. Dit werk voor grote bezetting vestigt opnieuw zijn faam als componist.

Ondertussen werkt hij ook verder aan een oude droom. In 1936 maakte Feremans de eerste schetsen voor een symfonische "Ode aan Mechelen". Die werkt hij nu uit tot een machtig oratorium voor sopraansolo, baritonsolo, kinderkoor, gemengd koor, klokken, beiaard en symfonisch orkest. Het wordt een emanatie van zijn niet aflatende verknochtheid aan de geboortestad. Opnieuw is de Sint-Romboutstoren het centrale thema. Meteen werd dit oratorium een ode aan zijn leermeester Staf Nees. Feremans schrijft over dit werk in een brief van 5 augustus 1961 aan Wies Moens :
"Op 17 september a.s. wordt mijn nieuw groot werk te Mechelen over de doopvont gehouden. Een oratorium van bescheidener formaat, dat ik "Het Bronzen Hart" noemde. Het is, in acht taferelen, de evocatie van de Sint-Romboutstoren, met flitsen uit het volksleven dat zich rond zijn voet afspeelt: Kerstmis, Kermis, Dodendans (Rumoldus, Margaretha, Granvelle) en de Maria-ommegang. Er komt ook - en dat voor de eerste maal in de muziek-geschiedenis - een concerterende fuga voor beiaard en orkest in voor."(2)

Met deze fuga won Feremans de "Jef Denyn"-prijs in de compositiewedstrijd van de Beiaardschool. Het thema van de fuga werd trouwens geschreven op de naam "Staf Nees". Ook Denyn krijgt een plaats in de hulde. In de cadens citeert Feremans het beroemde Ongeschreven Preludium, een werk dat hij in 1936 reeds noteerde tijdens een concert, om het vervolgens voor piano te bewerken. Over Feremans' liefde voor de beiaard getuigt Staf Nees:
"Is het te verwonderen dat deze door God begenadigde kunstenaar zich tot de beiaard aangetrokken voelde? Hij werd immers te Mechelen, dé Beiaardstad, geboren onder de Sint-Romboutstoren waarvan de klokken-klanken en het beiaardspel hem tijdens zijn jeugdjaren en zijn ganse Mechelse periode omringden en een blijvende stempel sloegen op zijn ontvankelijk gemoed. Hij was trots op die toren, hij beminde die klokken en die beiaard, en hij koesterde een diepe verering voor Meester Jef Denijn, de gevierde beiaardier."(3)

Inderdaad, Feremans had Denyn gekend in zijn meest succesrijke periode. De Mechelse beiaardier was toen uitgegroeid tot een figuur met nationale allure.

De premičre van "Het Bronzen Hart" gebeurde omwille van de enorme bezetting -vijf koren en symfonisch orkest - in de Mechelse groentehal. Het concert was meteen de viering van Nees' zestigste verjaardag. De beiaardpartij werd vooraf door Nees opgenomen op de beiaard van Lokeren en vervolgens met luidsprekers in de zaal weergegeven. Een tweede uitvoering kwam er te Brussel in 1962 in het Paleis voor Schone Kunsten, ditmaal met het orkest en koor van de BRT. Initiatiefnemer was toen de Vereniging voor Toren en Beiaard, die met het concert de honderdste verjaardag van Denyn wilde herdenken.

De laatste jaren

Na "Het Bronzen Hart" blijft Feremans, ondanks zijn uiterst precaire gezondheidstoestand, ononderbroken componeren. In stilte hoopt hij nog op een benoeming als directeur van het Mechelse conservatorium. Aan de Beiaardschool wil Staf Nees hem, na het overlijden van Jef Van Hoof, de lessen harmonie toevertrouwen. Zijn gezondheid laat het echter niet meer toe. In 1963 krijgt hij van de V.T.B. de opdracht voor een vijfdelige Geuzensymfonie voor soli, gemengd koor en orkest. Dit werk zou gecreëerd worden op 11 juli 1964. De gezondheidstoestand van Feremans wordt echter zo slecht, dat het componeren steeds moeilijker wordt. Op 11 februari 1964 overlijdt hij te Berge.

Besluit

De beiaardmuziek van Gaston Feremans heeft een vaste plaats verworven in het beiaardrepertorium. Het gaat hier om een beperkt aantal werken van uitzonderlijke kwaliteit, geschreven in de stijl van de Vlaams-romantische school. Merkbaar zijn de invloeden van het Gregoriaans en de Russische School. Zijn biografie werd zeer sterk en op tragische wijze beďnvloed door het tijdsgebeuren. Enerzijds werd zijn carričre gebroken door de repressie in 1944; anderzijds beleefde hij de groeiende kloof tussen zijn romantische taal en de nieuwe stromingen in de Europese muziekcultuur.



Koen Cosaert

 

 

organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home