![]() |
|
||||||
|
|
|
|
Michiels. Torenuurwerken en beiaarden |
||
|
In het verleden was het meten van de tijd een constante zorg voor alle leefgemeenschappen, zij het een stad, een dorp, een klooster of abdij. In een tijd waar niemand beschikte over een persoonlijk uurwerk, kon alleen het grote torenuurwerk het sociale leven reguleren. Dat dit niet altijd van een leien dakje liep, bewijzen de vele pogingen om de gestelde tijd preciezer aan te duiden. In 1893 somde Edward Michiels, torenuurwerkmaker te Mechelen, alle problemen op waarmee hij dagelijks geconfronteerd werd. Een torenuurwerk werd vroeger door een smid gemaakt, met alle onnauwkeurigheden vandien. Het tuig stond opgesteld, hoog in de toren en vaak onderhevig aan weersinvloeden. Wanneer het onvoldoen-de beschut werd had de wind er vrij spel. Schommelingen van de temperatuur hadden tot gevolg dat het uurwerk nu eens sneller, dan weer trager liep. Het aandikken van de smeerolie en een gebrekkig onderhoud remden de vlotte gang. Zelfs het bewegen van de toren door het luiden van klokken en door de windstoten bij storm hadden hun invloed op de juistheid van het uur. In feite was de tijdsaanduiding in het verleden allesbehalve
nauwkeurig. Zo moest de torenwachter van St.-Rombouts te Mechelen twee
maal per dag manueel het uurwerk corrigeren. Edward Michiels schreef in
een prospectus voor zijn bedrijf: Met deze tekst wil de toren-uurwerkmaker natuurlijk publiciteit maken voor zijn product. Dus moeten zijn uitspraken met enige kritische zin benaderd worden. Waar hij spreekt van een algehele malaise in het functioneren van de uurwerken, mogen we zijn stelling vast en zeker nuanceren. Zijn betoog leert ons wel met welke courante problemen men meestal te maken kreeg.1 Verder verschilde tijdens de 19e eeuw het exacte uur dan nog van stad tot stad. Het verschil kon zelfs meer dan een half uur bedragen. Het plaatselijke zonne-uur, gemeten met een zonnewijzer, gold als norm. Dit veranderde toen de eerste spoorweg op het vasteland in 1835 werd aangelegd tussen Mechelen en Brussel. Door het snel uitbreidende net werd de uniformering van de tijdsmeting noodzakelijk. Uurtabellen kunnen slechts opgemaakt worden wanneer op iedere plaats de exacte tijd gekend is. Daartoe werd reeds in 1836 aan Adolphe Quetelet, stichter van de Sterrenwacht te Brussel, bij Koninklijk Besluit, de opdracht gegeven om van 41 steden in België de meridiaan uit te lijnen. De meridiaan of middagcirkel van een stad is de grote cirkel die op de aardbol doorheen de bewuste plaats en de beide polen gaat. Als eerste kwamen Antwerpen, Oostende, Brugge, Gent en Luik in aanmerking. Te Brugge kan men op één van de huizen aan de westzijde van de Grote Markt nog steeds de gouden bol zien, zoals die er in 1837 werd geplaatst. De meridiaan is er uitgelijnd op de Grote Markt met grote koperen nagels tussen de klinkers van de straat.2 De tijdsbepaling door middel van het bepalen van de meridiaan werd achterhaald toen vanaf 1850 de telegraaf bij de spoorwegen in gebruik werd genomen. Een directe communicatie tussen verschillende steden werd mogelijk. In 1882 werd een internationale conferentie gehouden over de uniformering van de tijd in Europa. Op zondag 1 mei 1892, om zes uur 's morgens, werd in België uiteindelijk de officiële tijd van Greenwich ingevoerd. Vele decennia lang - tot de intrede van de radio - bleef de nationale spoorweg-maatschappij de behoeder van de tijd in België. Nog in 1927 werd ondermeer in Kortrijk het stadsuurwerk in de Sint-Maartenstoren juist gezet met dat van het station.
De familie Michiels heeft haar wortels in het dorp Baal bij Tremelo. Franciscus Michiels (1792-1879) was er rademaker-timmerman. Hij koesterde ook ambities op politiek gebied en werd uiteindelijk schepen in Baal. Uit zijn huwelijk met Theresia Mertens (1796-1873) werden er drie kinderen geboren: Louis, Edward en Frederika. Louis Michiels (1828-1904), de oudste zoon, bleek gezegend te zijn met een flinke brok intelligentie. Zijn interesse ging in de eerste plaats uit naar wiskunde en astronomie. Na zijn priesterstudies aan het seminarie te Mechelen, werd hij in diezelfde stad aangesteld tot leraar wis- en natuurkunde aan het Sint-Romboutscollege. Nadien trad hij op als inspecteur voor diezelfde vakken. Zijn brede interesse ging echter ook naar fotografie, meteorologie en muziek. Zijn pedagogische cijfermethode voor het muziekonderricht werd in 1897 door de toenmalige minister van onderwijs ingevoerd in de lagere scholen. Zijn religieuze loopbaan werd bekroond met de titel van kanunnik-cantor van de Metropolitane kerk of Sint-Rombouts-kathedraal. De combinatie van astronomie met wis- en natuurkunde openden voor Louis Michiels een nieuw onderzoeksgebied: de uurwerkmakerij. Zelf bouwde hij verschillende uurwerken en zijn bevindingen werden ten behoeve van de uurwerkmakers 1900 te Mechelen gedrukt onder de titel: "Détermination de l'Heure au moyen d'un Gnomon à suspension". Zijn jongere broer Edward (1831-1910) wilde na de lagere school beeldhouwer worden. Aan de "Académie des Beaux-Arts" te Leuven behaalde hij er als primus het einddiploma in 1857. Zijn talent etaleerde hij in een zelfportret. Terug te Baal gaf hij gestalte aan zijn sociale bewogenheid in het oprichten van een avondschool voor ongeletterden. Als klaslokaal diende een kelderkamer in de plaatselijke herberg.3
Louis Michiels zag geen heil in de toekomstplannen van zijn broer en bood hem aan om een torenuurwerkmakerij te starten. Hijzelf beschikte over de nodige kennis, terwijl Edward de organisatie op zich moest nemen. Op korte tijd bekwaamde Edward zich in de technische processen en besloot om te verhuizen naar Mechelen. De stad bood meer toekomstperspectieven en daarenboven was het de woonplaats van Louis. Ondertussen was Edward ook gehuwd met een meisje uit de omgeving van Mechelen: Mathilde Moeremans uit Leest. In 1861 ging het bedrijf van start in de Onze-Lieve-Vrouwstraat te Mechelen. In 1861 werd er te Mechelen baanbrekend werk verricht voor de verbetering van het torenuurwerk. Louis Michiels vroeg aan het stadsbestuur de toestemming om een nieuwe uitvinding te testen op het uurwerk van de Sint-Romboutstoren.4 Alle werken zouden uitgevoerd worden tegen kostprijs. Zijn "système électromoteur" zou een revolutie teweeg brengen. Want er heerste een te groot verschil tussen de juistheid van de torenuurwerken en die van de "horloges-régulateurs". Meteen toonde hij de oorzaak van de problemen aan: "Parmi les causes nombreuses d'irrégularité dans la marche de la plupart des horloges publiques, nous pourrions citer les changements de température, l'inégalité du graissage, causée par l'évaporation rapide et l'épaississement de l'huile nécessaire au rouage, le frottement dur et inégal des engrenages...". De bedoeling was om het uurwerk van de Sint-Romboutstoren even juist te laten lopen als dat van het station. Na een proefperiode mocht Louis Michiels definitief zijn nieuwe uitvinding plaatsen.5 In het stadhuis werd een moederuurwerk of "regulateur" opgesteld, gevrijwaard van alle externe invloeden. Dat zou garant staan voor de juiste tijdsaanduiding. Om de invloed van warmte en koude op de lengte van de slinger te beperken, gebruikte Michiels een combinatie van verschillende metalen als slingergewicht. Dit uurwerk stond in verbinding met het torenuurwerk door middel van een elektrische leiding. Hierbij werd het echappement of de gang van het torenuurwerk - dit is het tandwiel met anker, dat de aandrijving van het gewicht afremt - voorzien van een magneet, die elke minuut een impuls ontving van het precisie-uurwerk, dat in het stadhuis stond opgesteld. Het moederuurwerk op de begane grond controleerde aldus, in combinatie met een batterij in de toren continu de gang van het gesmede tuig, dat nu volledig zonder de traditionele slinger werkte. Alles liep aanvankelijk nog niet van een leien dakje. Er ging nog heel wat mis met de juistheid van het uurwerk. Louis Michiels noteerde dag na dag de problemen en kon uiteindelijk bewijzen dat de oorzaak niet lag bij zijn installatie maar bij het mank lopen van het middeleeuwse gesmede torenuurwerk. Alhoewel het nieuwe systeem blijkbaar nog heel wat kinderziektes vertoonde, werd het een succesverhaal. In heel wat torens mocht de firma Michiels het echappement van het uurwerk vervangen door zijn eigen constructie. Reeds in 1861 werd deze ingreep ondermeer uitgevoerd aan het stadsuurwerk van Leuven. In datzelfde jaar werd zowel te Brussel als in Parijs het patent aangevraagd. Daar de bestaande torenuurwerken steeds problemen veroorzaakten, begon Edward Michiels vanaf 1870 zelf ontworpen uurwerken te vervaardigen, die meteen optimaal aangepast waren aan het systeem van Louis Michiels. Om de werking zonder slinger te optimaliseren werd er ook een eigen type echappement ontwikkeld. Twintig jaar later verving hij het eigen type echappement door dat van de Engelsman Denisson, de man die ook het systeem voor het beroemde uurwerk van West-Minster in Londen ontwierp.6 Toen veranderde hij de werking van zijn uurwerken, door slechts twee maal per dag een correctie te laten uitvoeren door het moederwerk. Iedere twaalf uur werd het torenuurwerk door de magneten eventjes stil gezet wanneer het voor liep. Was de gang van het grote uurwerk te traag, dan versnelden de magneten eventjes het tempo. Het geheel van magneten in het torenuurwerk kreeg in het atelier van Michiels de bijnaam "het machientje". Voortaan werkte de slinger van het moederuurwerk met kwikvaten als gewicht. De volumeverandering van het kwik compenseerde het uitzetten van de slinger bij temperatuurschomme-lingen. In 1883 werd deze vernieuwing voorgesteld op de Internationale Tentoonstelling voor Koloniale en Uitvoerhandel te Amsterdam. Deze was meteen goed voor een "Medaille d'or".
Een prospectus uit 1909 geeft een goed beeld van de enorme vaart die het atelier Michiels nam. Een overzicht van de sedert 1861 vervaardigde toren-uurwerken leert ons dat het er toen reeds 400 waren. Michiels exporteerde ook naar Frankrijk, Nederland, Spanje, Cuba, Canada, Schotland, Engeland en Syrië. In 1890 was de werkplaats in de Onze-Lieve-Vrouwstraat te klein geworden. Edward Michiels kocht het pand "De Clippel" aan de Graanmarkt - nu Korenmarkt - dat voordien eigendom was van een wijnhandelaar. Gebeeldhouwde wijn-ranken getuigen nu nog steeds van die vroegere functie. In de grote tuin werd een nieuw atelier gebouwd. De verhuizing was voor Louis opnieuw aanleiding om zijn creatieve talent te demonstreren. Hij maakte een telefoonverbinding - de eerste in Mechelen - tussen zijn huis in de Louisastraat en dat van zijn broer. Tien tot veertien werknemers werkten dagelijks in het nieuwe atelier. De wielen voor de tandraderen werden voordien in een bronsgieterij gegoten, en daarna in eigen atelier uitgefreesd. Naast de man die het freeswerk deed, werkte er een smid, een man die de assen draaide op een draaibank, monteurs en mensen die de wijzerplaten maakten. Het atelier Michiels heeft in zijn bestaan zo'n 4000 wijzerplaten gemaakt volgens eigen ontwerp. De uurwerken werden volgens een modulesysteem vervaardigd. Eenzelfde frame kon dienen voor drie types: een uurwerk met gangwerk en uurslag, een uurwerk met uur- en halfuurslag en een type waarbij nog eens het angelus werd toegevoegd. Twee nieuwe elementen werden door Michiels geïntroduceerd in de uurwerkbouw. Het frame werd volledig in gietijzer gemaakt ter vervanging van het traditionele smeedijzer. Het gangwerk met ernaast het slagwerk werden niet meer in de hoogte geconstrueerd. Ze werden voortaan naast elkaar in een langwerpig horizontaal frame gemonteerd.
Voor de complete installatie werden klokken aangekocht bij Severinus Van Aerschodt in Leuven. Na verloop van tijd zou het atelier Michiels ook installaties van beiaarden vervaardigen voor Van Aerschodt. Naast het vervaardigen van uurwerken werd het maken van automatische spelen een vast onderdeel in de productie. Zij verzorgden de installatie van de beiaarden in Kortrijk (1880), Aalst (1880), Philadelphia (1882), Aberdeen (1885), Leuven Sint-Pieter (1895), Diest (1895), Namen (1896), Borgerhout (1889), Dinant en Bonsecours (1906). Herstellingen werden uitgevoerd ondermeer in Doornik, Halle en Zottegem. Het huis Michiels zocht naar een gelegenheid om ook de productie van de klokken te controleren. In 1895 nam Marcel (1868-1924), de oudste zoon van Edward, te Doornik de klokkengieterij Drouot over. Van 1925 tot 1964 werd dit bedrijf gerund door zijn zoon Marcel Michiels Jr. en ontwikkelde het zich tot de grootste beiaard- en klokkengieterij van België.
Het Rijksarchief te Kortrijk bevat vrij veel documenten over de installatie van het nieuwe automatische spel en uurwerk dat er voltooid werd in 1880.7 Bij de prijsoffertes leren we de namen kennen van enkele concurrenten van Michiels. Deze waren hoofdzakelijk in het Brusselse werkzaam. "E. Dutot-Vermorcken. Fabrique d'horlogerie en tous genres. Bruxelles" bood ook een Clavi-carillon breveté aan. De tweede offerte werd ingezonden door Edmond Sacré uit de Rue de Ruysbroeck in Brussel, die ondermeer het uurwerk gemaakt had voor het stadhuis in zijn stad en voor de kamer van volksvertegenwoordigers en de senaat. Regelmatig maakte hij ook uurwerken voor de spoorwegen. Een derde inzending kwam er van Charles van Lancker "Horloger de la ville" uit Gent. Vooraleer de opdracht toe te kennen aan Michiels deed het stadsbestuur eerst nog een rondvraag bij de steden die reeds een uurwerk van deze bouwer hadden aangekocht. Er kwamen niets dan positieve antwoorden. In Ieper had men reeds sedert 1873 een Michiels-uurwerk: "Nous sommes très satisfaits de cette installation qui depuis le placement ne nous a coûté d'autres frais d'entretien que le nettoyage et le renouvellement des deux piles." Ook in Hasselt was men uiterst tevreden: "Cette horloge marche avec la plus grande régularité depuis plusieurs années et il ne s'est présenté jusqu'ici aucun inconvénient". In 1879 werd de installatie door Michiels goedgekeurd. Begin november werd alle materiaal met de trein naar Kortrijk verzonden. Het geheel omvatte 4 collies met een gewicht van 2200 kilo. De gehele montage in de toren nam een tiental werkdagen in beslag.
Edward Michiels werd na zijn dood in 1910 opgevolgd door zijn zoon Prosper (1874-1930). Zijn broer Arthur Michiels trad op als handelsvertegenwoordiger voor de firma. Deze woonde tot 1914 te Mechelen, maar verhuisde bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog naar Baal. In 1914 werd het atelier verwoest tijdens de inname van Mechelen. Het werd nadien heropgebouwd, dwars op de vorige locatie, met een uitgang in de Adegemstraat. Het atelier bleef mechanische torenuurwerken maken tot na de Tweede Wereldoorlog, toen de elektrisch aangedreven uurwerken hun intrede deden. Vanaf 1930 tot aan de sluiting in 1955 stond het bedrijf onder de leiding van Edward Michiels (1907-1979). In 1985 werd het bedrijf weer opgestart door Luc Michiels, zoon van Edward, die nog steeds het huis aan de Korenmarkt bewoont.8 De oude werkplaats uit 1920 is nog intact en verdient erkenning als industrieel erfgoed. Voetnoten |
||
|
organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home |
||