![]() |
|
||||||
|
|
|
|
DIEST: De eeuw van de familie De Decker (1707-1812) |
||
|
In Diest brak de grote bloeiperiode van de beiaard aan in de 18de eeuw, toen de stad over de nodige troeven beschikte voor een succesvol beiaardprogramma: wel-luidende klokken (Hemony, 1671), een grote trommel met veel versteekmogelijkheden (Jan de Hondt, 1728), een goede beiaardier en bovenal een rijk cultureel stadsleven.
De beiaardier behoorde tot het stadspersoneel en stond hoog aangeschreven. Het loon veranderde niet gedurende de hele eeuw: jaarlijks 240 gulden wisselgeld of 280 gulden courant geld, betaald per hele of halve trimester. De zangmeester verdiende evenveel. De organist verdiende 150 gulden wisselgeld of 175 courant geld; de violist, telkens iemand uit het geslacht di Martinelli, verdiende 50 gulden, maar men moet niet vergeten dat iedereen meer dan één job combineerde of tenminste andere inkomsten had. Het loon van de beiaardier lijkt veel, maar hij had dan ook veel te doen. Hij moest alle zon- en feestdagen spelen, van 8.30u tot 9u en 's avonds een half uur voor het lof; woensdag van 11u tot 11.30u, tenminste 4 of 5 liedjes; donderdag voor de mis van 6.30u en 's avonds voor het lof; zaterdag een half uur voor het lof. Daarnaast speelde hij op de drie vastenavond- en kermisdagen, op Kerstavond en -nacht, op de patroonfeestdagen van ambachten en neringen, tijdens gildenfeesten, voor processies, enz. Er werd uitdrukkelijk bepaald dat hij van tijd tot tijd nieuwe muziek moest spelen.1 De beiaardier moest tijdens de diensten, als hij geen beiaard speelde, de bas spelen op het oksaal.2 Hij wond elke dag het horloge op en verstak vier keer per jaar de trommel. Hij was verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van alles wat zich boven in de kerk afspeelde, zowel in de beiaardtoren als in de grote toren waar de luidklokken hingen. Hij smeerde de luidklokken en het horloge, waarvoor hij zelf de nodige potten smout en olie leverde.3
Nadat op 17 april 1729 beiaardier Geraert Cuppens overleden was, werd de plaats voor beiaardier opengesteld. Er verscheen tweemaal een berichtje in de krant.4 Daarop reageerde de tweeëntwintigjarige Johannes Joseph De Decker, beiaardier en organist van de abdij van Tongerlo sinds 1725. Dat de beiaard van Diest grote vermaardheid genoot, bewijst het feit dat in 1725 Andreas Frans van den Gheyn beloofde een beiaard te maken voor Leuven "die de Hemonybeiaard van Diest zou evenaren."5 Bij wijze van proef moest De Decker de melodie van het half uur versteken. Op 22 juli werd hij aangesteld tot stadsbeiaardier van de Sint-Sulpitiuskerk.6 Hij vond er een beiaard van 32 Hemony-klokken, opgehangen in een volledig vernieuwde campanile met loden dakbedekking en koperen waterkering, een nieuwe, grote trommel en een gigantische versteekkast. Wat kon hij meer verlangen?
Jan De Decker werd op 16 of 17 januari 1707 geboren in Scherpenheuvel en was de zoon van Lucas De Decker en Elisabeth Fontijn uit Zichem. Zijn over-overgrootvader Hans De Decker was burgemeester van Scherpenheuvel geweest, en had als meester beeldhouwer aan de kerk van Scherpenheuvel gewerkt.7 Als organist kon hij in Diest niet meteen aan de slag, want de plaats was bezet door Christiaen Jacobs. Gelukkig was er een vacante plaats bij de Augustijnen. Vanaf 27 oktober speelde hij er, eerst voor 10 gulden, vanaf 1734 voor 30 gulden jaarlijks. Hij was er in dienst gedurende 31 jaar.8 Op 22 november 1730 trouwde hij met Maria Gertrudis Fianco. Proost Celestijn Abeloos zegende het huwelijk in, en beide vaders waren getuigen. In 1733 mocht hij toetreden tot de Lelie Camer, wat hem 30 gulden kostte. Hij bleef lid tot in 1750.9 Hij was ook lid van de kolveniersgilde, waar hij rentmeester was in 1741.10 Johannes De Decker was boekbinder in bijberoep. Al naargelang de benodigdheden leverde hij aan de stad of aan het garnizoen lak, post-, pak- en ander papier, pennen, het Schepenen-register, ingebonden boeken, etc. Een andere bijverdienste, die hij had overgenomen van violist Antonius di Martinelli, was het leveren van de nodige snaren voor de violen en de bas van het oksaal van Sint-Sulpitius. Bijna elk jaar moest hij verschillende keren extra op de beiaard spelen, waarvoor hij vergoed werd. Bijvoorbeeld voor de burgemeesters van de stad, voor de jaarlijkse schepenenmaaltijd, bij de aankomst en het vertrek van prominenten zoals de procureur-generaal of de aartsbisschop van Mechelen, op de geboortedag van de Keizer, voor het binnenhalen van de relikwieën van de H. Alexius, etc.11 Als laatste bijverdienste schoot hij af en toe wolven dood, waarvoor de stad een premie gaf.
Voor het beiaardonderhoud en het versteek van de trommel kon Jan De Decker rekenen op vaste werklui van de stad. Van 1737 tot 1764 was Balthazar Parisiers de smid van de Sint-Sulpitiuskerk. Hij voerde meermaals per jaar reparaties uit aan het horloge en de trommel, maakte de noten schoon, maakte er nieuwe bij, herstelde oude noten, en hielp bij het versteken. Bij het schoonmaken ging het soms om 1000 noten, en met Pasen 1747 zelfs om 1700 noten. Toen op 17 november 1737 de Leuvense uurwerkmaker Lion de slinger van het trommelmechanisme meenam ter reparatie, moest Parisiers zelf op het uur, half uur en de kwartieren de trommel doen spelen en dat gedurende twee maanden. Hij kreeg er 10 ½ stuivers voor per dag.12 In 1751 moest het beiaardtorentje ondersteund worden want men vreesde dat het zou omvallen. Timmerlieden werkten er gedurende 14 dagen aan. Met Palmzondag het jaar erop was er een zodanige storm dat alle wijzerplaten loshingen en Baltus Parisiers ze weer diende vast te hechten.13 Na Balthazar Parisiers werd Andreas Van Schaffen de vaste medewerker van de beiaardier. Hij maakte regelmatig het horloge schoon, leverde nieuwe ijzerdraad ter reparatie van de beiaard, maakte jaarlijks nieuwe noten voor de trommel en herstelde deze. De stadsrekeningen vermelden bijna jaarlijks alle werken die aan de beiaard werden uitgevoerd tot in het jaar 1793, toen Diest onder Frans bewind kwam. Daarna zijn er geen stadsrekeningen bewaard gebleven.
Jan De Decker moet een stevige reputatie opgebouwd hebben, want in 1751 werd hij gevraagd om de beiaard van Hasselt te keuren, waar Andreas Jozef Van den Gheyn het merendeel van de Bernard-beiaard uit 1729 hergoten had en de rest bijgestemd. Buiten één klokje was De Decker vol lof over het eerste opus van de jonge gieter. Datzelfde jaar werd Jan De Decker gevraagd om samen met Petrus Bouvrie, klokkengieter en beiaardier uit Luik, de beiaard van Sint-Truiden, gegoten door Nicolaas Legros te keuren. Hun oordeel stond lijnrecht tegenover elkaar: De Decker was niet over de beiaard te spreken, Bouvrie vond het allemaal in orde. Drie jaar later kreeg De Decker gelijk, want Andreas Jozef Van den Gheyn kreeg dezelfde opdracht als in Hasselt, om ook deze beiaard voor het merendeel te hergieten en bij te stemmen. De eindkeuring in 1754 had hetzelfde resultaat: slechts één klokje vond De Decker minder zuiver, voor de rest was hij vol lof.14 In 1760 werd zijn eigen beiaard uitgebreid met vijf klokjes, en het mag niet meer verbazen dat Andreas Jozef van den Gheyn de opdracht kreeg. De laatste beiaard van Andreas van den Gheyn die Jan De Decker keurde, was die voor het stadhuis van Hoey.15
In 1732 werd besloten om Jan De Decker jaarlijks 10 gulden en 10 stuivers extra toe te kennen om de beiaard te versteken, omdat de trommel nu veel groter was en het werk niet naar verhouding was met het loon.16 Zoals gezegd moest hij vier keer per jaar versteken, maar vanaf Pasen 1741 mocht hij dit terugbrengen tot tweemaal: één keer met Pasen en één keer met Sint-Dionysius (9 oktober), wat zeer weinig was voor die tijd.17 Aardig om weten is dat hij steeds met behulp van kaarsen de trommel verstak, want er was geen daglicht bij de trommel.18 Jan De Decker noteerde alle versteken in een versteekboek, waarin hij uitlegde hoe de trommel verstoken werd, welke aria's het stadsbestuur en het volk bevielen, wat goed speelde en wat niet, welke kosten er gedaan werden om de beiaard te onderhouden, enz. Zijn zoon Frans nam deze traditie over, zodat het boek zo'n tachtig jaar muziek bevat, van Pasen 1731 tot augustus 1812.19 In 1733 liet Burgemeester Devos weten dat het stadsbestuur enige tijd op voorhand wilde weten welke melodieën Johannes De Decker op het uur en half uur zou versteken, waarschijnlijk uit diplomatische overwegingen. In het versteekboek waren heel wat marsen gewijd aan de politieke en militaire figuren van die tijd, zoals hertogin Maria-Elisabeth, prins Eugenius van Savoie, landvoogd Karel van Lotharingen, generaal Sigmund Wurmbrand (Worrenbrandt), prins Leopold I von Anhalt-Dessau, etc. Soms klonken er van de toren straat- of volksliedjes, dan weer menuetten, aria's en rondo's van deze of gene componist, of marsen ter ere van de twee voornaamste gilden, Sint-Joris en Sint-Sebastiaan. De vier speelboekjes voor viool van de familie Di Martinelli uit de 18de eeuw vermelden vele gelijkaardige titels. Daaruit blijkt misschien een wisselwerking tussen de twee muzikantenfamilies, maar vooral wat de populaire muziek van die tijd was.20
Johannes De Decker kreeg meerdere kinderen, waaronder Johannes Frans De Decker, geboren op 1 oktober 1739. Hij was voorbestemd om zijn vader op te volgen. Johannes leerde hem zowel beiaard als orgel spelen, en wijdde hem in in het vak van boekbinden. Toen in 1763 N. Jacobs, de organist van Sint-Sulpitius, overleden was, werd Frans De Decker aangesteld, op dat moment zesentwintig jaar. Waarschijnlijk verving hij zijn vader ook regelmatig voor het beiaardspelen, of voor andere, bovenvermelde torenklusjes. Op 17 juni 1769 overleed Johannes Joseph De Decker, na 40 jaar beiaardierschap. Tijd voor rouw was er nauwelijks: twee dagen later werd zijn zoon Frans De Decker aangesteld. In het versteekboek noteerde hij bij het versteek van Pasen 1769: "het laatste versteek gemaakt door mijn vader." Bij het versteek van Sint-Dionijs in oktober schreef hij: "mijn eerste versteek".21 Waarschijnlijk was de job van stadsbeiaardier moeilijk te combineren met die van stadsorganist, want vanaf datzelfde jaar nam zijn schoonbroer, Johannes Thomas de Lespes, de plaats van organist over tot aan zijn dood in 1780. Toen nam Frans De Decker het ambt weer op.22 In 1779 maakte hij de hergieting mee van de grootste luidklok van de Sint-Sulpitiuskerk door Andreas Jozef Van den Gheyn. Johannes Geens maakte een nieuw rad en hoofd voor de klok. Hij luidde ze voor het eerst op 8 mei 1779.23 Net zoals zijn vader was Jan Frans De Decker lid van de Kolveniersgilde. In 1789 was hij secretaris van de gilde.24
Het tij begon te keren na de Franse Revolutie. Spoedig waaide de nieuwe politieke wind over naar Diest. Frans De Decker werd nog uitbetaald in oktober 1794. In 1795 werd België geannexeerd bij Frankrijk. Hij bleef de beiaard bespelen op alle voorschreven uren tot in 1797 de openbare eredienst verboden werd. Op 7 januari 1797 begon nl. de klokkenroof, de beeldenstorm en het neerhalen van torenkruisen in alle kerken en kloosters van Diest. Er werd een totaal aan drieëntwintigduizend pond klokken stukgeslagen en verkocht. Enkel de klokken van Sint-Sulpitius bleven gespaard.25 In juli 1797 mocht de beiaard niet meer bespeeld worden zonder de toelating van het stadhuis, waar altijd een sleutel van de kerk moest liggen.26 Vanaf toen speelde De Decker enkel nog op woensdag tijdens de markt. Hij bleef zorg dragen voor het werk op de toren, maar werd slechts sporadisch betaald; lang niet genoeg om alle kosten te dekken. In oktober 1798 kreeg hij eindelijk een gedeelte betaald, maar toen brak de Boerenkrijg los en werden de betalingen opnieuw opgeschort. Op 15 april 1800 kreeg hij weer een gedeelte. Toen de rest uitbleef, schreef hij het stadsbestuur in oktober 1801 met het verzoek het restant te willen betalen. Met deze laatste brief verdween Frans De Decker verder onopgemerkt en was de gouden tijd van de beiaard voorgoed voorbij.27
|
||
|
organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home |
||