![]() |
|
||||||
|
|
|
|
"Historische beiaardopnamen" - Uitvoeringspraktijk op beiaard
|
||
|
Wanneer wij er gemakshalve van uit gaan dat musiceren een verstandelijke bezigheid is, dan ligt het voor de hand dat er tijdens het studeerproces over interpretatie wordt nagedacht. De uiteindelijke uitvoering wordt in hoge mate bepaald door de achtergrond van de uitvoerder en door de mate waarin hij geïnteresseerd is in de prestaties van tijdgenoten. Lange tijd was musiceren een vanzelfsprekende zaak; muziek kwam immers recht uit het hart. Onder invloed van de "Oude-Muziekbeweging" ingezet door o.a. Gustav Leonhardt en Nicolaus Harnoncourt is men meer en meer tot het bewustzijn gekomen dat grondige bestudering van de historische uitvoeringspraktijk een gunstige uitwerking heeft op het uiteindelijke resultaat. Het zou een verkeerde gedachte zijn te veronderstellen dat deze methode slechts van toepassing is op de traditionele oude muziek uit de zeventiende en achttiende eeuw; steeds meer is het voor alle stijlen gemeengoed om terug te gaan naar de bron.
Bij de zoektocht naar de authentieke uitvoering stuitte men weldra op het oude instrumentarium. Handelingen die volgens de voorschriften uit de historische litteratuur onuitvoerbaar waren op moderne instrumenten, bleken op historische instrumenten - na enige oefening - zeer wel mogelijk. Bovendien was het resultaat vaak verrassend aangenaam. De eerste fase van de authentieke beweging werd gekenmerkt door de kopiebouw van klavecimbels, later gevolgd door de fortepiano. Historische orgels en strijk/tokkel/blaas-instrumenten werden terug gerestau-reerd en de nieuwbouw van deze instrumenten werd geschoeid op oude leest. De strijd tussen voor- en tegenstanders van de authentieke beweging werd met ongemene felheid gestreden. Ik kan mij herinneren dat er zich tijdens het klavecimbelconcours te Brugge twee kampen vormden: de aanhangers van Leonhardt op de kopiebouw contra de Landowska-adepten op de Pleyel en Sperrhacken. Na de concerten werd de vete oraal en fysiek uitgevochten op de Eiermarkt, waar de terrassen als uitvalsbasis dienden. De authentieke beweging rukte op, zodat wij heden via Schumann op de Erard-vleugel, deelgenoot kunnen zijn van authentieke Brahms- en zelfs Strawinsky-interpreta-ties. De strijd tussen authentiek en traditioneel is nagenoeg gestreden. Het is inmiddels zo ver gekomen dat zelfs de meeste pianisten een redelijk authentieke Bachvertolking kunnen verzorgen.
Van de partijen moet gezegd worden dat zij zich terdege verdiept hadden in de materie. De strijdbare wetenschaps-beoefening was inherent aan de Oude- Muziekbeweging; van de weeromstuit gingen de traditionelen zich bewapenen met argumenten. Er is in dit kader een interessante uitspraak bekend van de Duitse, traditionele dirigent Helmuth Rilling. Op de vraag wat hij vond van de authentieke uitvoeringspraktijk op oorspronkelijke instrumenten antwoord-de hij als volgt: "Erg interessant, maar: er zijn geen oorspronkelijke luisteraars." Hoewel er een kern van waarheid schuilt in Rillings uitspraak moeten we toch constateren dat de partijen op het artistieke slagveld zeer onderlegd en gemotiveerd waren; actief zowel als passief. Observeert men thans de bezoekers aan de Oude Muziekfestivals in Brugge en Utrecht dan komt men spoedig tot de conclusie dat er sinds Rilling veel veranderd is. Er zijn wel degelijk "oorspronkelijke luisteraars". Met betrekking tot de beiaardkunst had Rilling gelijk. Het traditionele beiaardpubliek zat bepaald niet te wachten op vernieuwing van interpretatie en de meeste beiaardiers waren te veel gericht op klokken en te weinig op de actuele muziekpraktijk om de waarde van deze ontwikkeling in te zien. In dit verband mogen wij ons afvragen of een beiaardliefhebber, in de traditionele zin, tevens een muziekliefhebber is. De beiaardbeweging was, en is, enigermate geïsoleerd van de grote muziekwereld. Dit isolement wordt nog eens onderstreept door het feit dat het vak beiaard nog steeds onderwezen wordt aan aparte beiaardscholen, die vaak geen direct verband hebben met conservatoria. Bij de vakorganisaties voor beiaardiers ligt het accent op gezelligheid, organisatie en arbeidsvoorwaarden, heel belangrijk, maar de kunst zou eigenlijk de boventoon moeten voeren.
De angst in beiaardland voor authentieke restauratieopvattingen bleek duidelijk tijdens de voorbereidingen op de restauratie van de verminkte Hemonybeiaard in de Amsterdamse Zuidertoren. Op het voorstel van de Adviescommissie van de Nederlandse Klokkenspel Vereniging tot restauratie in 17e eeuwse trant, ontstond een panische reactie bij vooraanstaande beiaardiers en campanologen. De klok werd teruggezet en een belangrijk deel van het beiaardrepertoire zou niet meer op de Zuider gespeeld kunnen worden, zo beweerde men. Ondanks felle tegenwerking werd de Zuider volgens dit zwarte scenario gerestaureerd. De omvang werd teruggebracht tot drie octaven; het broeksysteem werd weer geïntroduceerd en tot overmaat van ramp werd er een kopie van een 17e eeuws klavier compleet met orgelpedaal aan toegevoegd. Onder handen van meesterbeiaardier Bernard Winsemius is dit instrument één der fraaiste in den lande geworden. Het Amsterdamse voorbeeld werd in verbeterde vorm nagevolgd in Amersfoort en Middelstum. Enkele studenten aan de Nederlandse Beiaardschool zijn door de confrontatie met de Hemonybeiaard in de OLV- toren te Amersfoort, bekeerd tot de authentieke benadering waardoor hun interpretaties, ook op moderne beiaarden aan zeggingskracht gewonnen hebben.
Nu is het geenszins mijn bedoeling om de authentiek gerestaureerde beiaard als voorwaarde te stellen voor een mooie vertolking van z.g. oude muziek. Er zijn beiaardiers die nooit in contact geweest zijn met authentieke beiaarden, maar toch de sterren van de oude-muziekhemel spelen op hun moderne instrumenten. Meestal betreft het dan beiaardiers die in het volle muziekleven staan, en daardoor onwillekeurig iets opgesnoven hebben van deze nieuwe ontwikkeling. Het is vooral de laag opgeleide, in isolement opererende beiaardier, waaraan de oude-muziekrevival voorbij gegaan is. Menigeen zal zich onderhand afvragen waaruit de nieuwe verworvenheden bestaan. Kort gezegd komt het hier op neer:
Hoe modern zijn de moderne beiaarden? Het antwoord vinden wij in Vlaanderen waar onze "moderne" beiaard ontstond in de achttiende eeuw. Een instrument, bij voorkeur van vier octaven, klokken opgehangen in rijen - grootste klokken beneden en de kleinere boven in de klokkenstoel. De klepels verbonden met het stokkenklavier d.m.v. tuimelaars en de pedalen uitgevoerd overeenkomstig het Franse orgelpedaal. Een dergelijk instrument trof Jef Denijn aan bij zijn aantreden als stadsbeiaardier in 1881. Door de faam van Denijn, ondersteund door een effectieve publiciteitsmachine, ging de Mechelse inrichting model staan voor de ideale beiaardinrichting; sterker nog, het Mechelse voorbeeld werd gekopieerd, inclusief de minder aangename aspecten. Het oude instrument speelde zeer zwaar als gevolg van de lage transpositie en de gecompliceerde tractuur voor de basklokken. De klepels maakten een grote slag. Volgens Mechels voorschrift moest de klepelslag gelijk zijn aan de val van de toets. Hierdoor werd de mogelijkheid geboden om schitterend te nuanceren en krachtige accenten te geven. De keerzijde van de medaille was dat er flink voor gewerkt moest worden. Onder advies van Denijn en Nees werden vele beiaarden opnieuw ingericht. Niet alleen geschiedde de opstelling naar Mechels model, ook de afregeling moest overeenkomen met die van Mechelen. Dit uniformisme, met de beste bedoelingen verdedigd, is bepaald ongunstig geweest voor die instrumenten, die weinig overeenkomst hadden met het Mechelse voorbeeld. Wat is immers de noodzaak van het te sterk intoneren van een lichte beiaard in een lage, open toren? Door het onnodig aanspannen van de repetitieveren trachtte men bovendien de Mechelse toetsdruk te imiteren.
Hoe het ook zij, de St.-Romboutsbeiaard heeft ontegenzeggelijk zijn stempel gedrukt op de uitvoeringspraktijk van de Vlaams-romantische beiaardmuziek. Willen wij de Vlaamse beiaardromantiek authentiek uitvoeren, dan is het noodzakelijk om alle aspecten, pro en contra, van de bewuste stijl nauwgezet te wegen: PRO CONTRA
Wanneer wij de historische opnamen uit noord en zuid beluisteren dan moet direct geconstateerd worden dat het technische beiaardspel, sinds 1950, er bepaald op vooruit gegaan is. Maar kan onze zeggingskracht en vitaliteit zich nog wel meten met die van onze voorgangers? Als beiaardier van de oude stempel, afgestudeerd op de oude St.-Romboutsbeiaard, moet ik deze vraag helaas ontkennend beantwoorden. De weerbarstigheid van de instrumenten gaf een bepaald karakter aan de oude vertolkingen: recht door zee in het zweet des aanschijns, waardoor er geen plaats ingeruimd kon worden voor frivoliteiten en kleine sentimenten. Luister naar de vertolkingen van onze gerespecteerde voorgangers, onbeholpen vertolkingen daarbij met de mantel der liefde bedekkend, en constateer dat zij er een oprechte, onbevangen opvatting op na hielden, in sterke mate gevormd door hun achtergrond. Zij leefden in een andere cultuur, maar in het kader van de authentieke benadering van de Vlaamse beiaard-romantiek is het van belang te weten dat hun spel voor een groot deel bepaald werd door het instrumentarium waar zij bewust voor gekozen hadden.
Soms krijg ik de indruk dat de hedendaagse beiaardier te veel op zijn gemak gesteld is. Door het verminderen van de klepelslag en de diepgang van de toets, vaak gecombineerd met compensatieveren en excentrisch opgehangen klepels wordt het spelcomfort vergroot ten koste van de dynamiek en de expressiemogelijkheid. Wil men toch een fortissimo laten horen dan moet er stevig uitgehaald worden. Op de oude inrichtingen kwam deze uitbarsting als het ware vanzelf tot stand. Spannen wij niet het paard achter de wagen in ons streven naar zogenaamde perfectionering van de beiaardmechaniek? De hedendaagse beiaardier heeft gekozen voor een gemakkelijk spelend instrument waar zonder moeite grote snelheden op gehaald kunnen worden. De virtuositeit staat kennelijk een trapje hoger dan de klankkwaliteit en de expressie door dynamiek. Beiaarden volgens het Denijnconcept en de heringerichte zeventiende-eeuwse beiaarden in Nederland klinken, mits in goede staat, helder en dynamisch. De minder ingevoerde beiaardier dient zich wel te verdiepen in de bijzonderheden en, zo men denkt, ongemakken van de tractuur. Pas wanneer hij zijn spelconcept aangepast heeft aan de technische mogelijkheden, kan er ten volle geprofiteerd worden van de aanwezige kwaliteiten.
Dit interessante en hoogst actuele onderwerp kan niet beter
besloten worden dan door het geven van een samenvatting in punten: |
||
|
organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home |
||