![]() |
|
||||||
|
|
|
|
De laatste beiaardier van de Antwerpse Sint-Jacobskerk:
|
||
|
De laatste beiaardier van de Antwerpse Sint-Jacobskerk: organist-componist Joannes Hoefnaegels (Borgerhout, 1747 - Antwerpen, 1832) Godelieve Spiessens In de Gazette van Antwerpen van 28 oktober 1774 adverteerde de Antwerpse componist en organist J. Hoefnagels dat hij enkele nieuwe muziekstukken, meer bepaald klavecimbelsonates volgens de nieuwe smaak, ter perse had en dat men daarop kon inschrijven aan de prijs van 1 kroon. Het ging om een boek van het formaat
grote in-4°, dat 34 bladzijden bedroeg en reeds voor de helft gedrukt
was, zodat de inschrijvers vrij vlug waar voor hun geld zouden krijgen.
De inschrijvingen moesten gebeuren op het adres van de auteur, nl. in
de Korte Nieuwstraat tegenover de Kalvarieberg (bijlage l). Het werk is
hoogst-waarschijnlijk ook verschenen want bij de advertentie was het immers
reeds voor de helft gedrukt, maar tot dusver is er geen exemplaar bekend.
Vermoedelijk ging het om een set van zes sonates want dat was zowat het
geëikte aantal in die tijd. Spijtig genoeg vermeldt de adverteerder geen
drukkersnaam en dus hebben we daar het raden naar. In die periode lieten
de Antwerpse klavecimbel-componisten, zoals François Joseph de Trazegnies
en Pierre-Joseph vanden Bosch, hun werken doorgaans graveren bij Andrez
in Luik, Wauters in Antwerpen, Le Menu in Parijs of Hummel in Amsterdam.1
Loopbaan Als componist is J. Hoefnagels dus een grote onbekende gebleven, maar overigens zal hij wel niemand anders geweest zijn dan de gelijknamige organist die in 1784, met zijn collega's Jan Thomas Baustetter, zangmeester van de kathedraal en gewezen organist van de Sint-Andrieskerk, en F. J. de Trazegnies, organist van de Sint-Walburgiskerk, een vernietigende expertise ondertekende over het nieuwe orgel van Joannes Tits in de Sint-Andrieskerk.2 Hij schreef in op de klavecimbelsonates, op. 2 (1772?) en op. 3 (1778-1786?) van zijn reeds genoemde tijd- en stadsgenoot F.J. De Trazegnies. In diens op. 2 noemde hij zich "musicien à Anvers" en in op. 3, "organiste à Anvers".3 Hij staat eveneens als "musicien à Anvers" vermeld onder de intekenaars op de trio's, op. 1 en 2 (1773-1779), van Henry Joseph Tobi.4 Daaruit zou men kunnen afleiden dat hij eerst kerkzanger en daarna organist geworden is aan een of andere Antwerpse kerk. Volgens de volkstelling van 1800-1815 zou Hoefnaegels reeds sinds 1763 in de stad gevestigd geweest zijn (zie infra) en dus kan hij hier toen als musicus bedrijvig geworden zijn. Totnogtoe konden we niet achterhalen aan welke Antwerpse kerk Hoefnaegels ooit als organist zou kunnen verbonden geweest zijn want in die periode waren de organistenambten van alle Antwerpse parochiekerken door anderen bezet. Vermoedelijk ging het dus om een of andere kloosterkerk want daar werden ook leken als organist in dienst genomen. Op 18 augustus 1779 nam de beiaardier van de Sint-Jacobskerk, Clemens Augustinus Everaerts, ontslag omdat hij zich onbekwaam voelde wegens ouderdom en ziekte.5 Joannes Hoefnaegels verklaarde zich op 23 augustus 1779 akkoord om het ambt gratis te bedienen, zolang Everaerts in leven was. In consideratie van zijn lange diensttijd, vroeg Everaerts de kerkmeesters om de overeenkomst en het milde aanbod van Hoefnaegels te willen ondertekenen. Die deden dat slechts op voorwaarde dat ze de nieuwe beiaardier maar zouden behouden zolang het hun beliefde en niet langer. Ze behielden zich het recht voor om ten allen tijde een andere beiaardier te benoemen, indien ze dat wensten. Everaerts kon niet meer schrijven wegens zijn gebrekkige hand en ondertekende met een kruisje en merkteken, en F.E. De Buck en M.J. Franck traden als getuigen op (bijlage 2). Laatstgenoemde getuige zou wel eens Maria Jacoba Franck kunnen geweest zijn, de echtgenote van Hoefnaegels, met wie hij in 1776 getrouwd was. De voorwaarden voor de nieuwe beiaardier waren dus ver van rooskleurig: zijn verdiensten moest hij afstaan aan de aftredende beiaardier en zijn aanstelling betekende helemaal geen waarborg voor een vaste benoeming. Maar Everaerts overleed vermoedelijk reeds in 1780, zodat Hoefnaegels ten minste de wedde e.a. verdiensten zelf kon opstrijken. Blijkbaar waren de kerkmeesters tevreden over zijn prestaties want hij zou als laatste beiaardier van de Sint-Jacobskerk aanblijven tot minstens 1794. Zijn wedde bedroeg 70 gld. per jaar en die werd in de praktijk per trimester betaald, nl. telkens 17½ gld. in maart, juni, september en december. Daarbij kwam nog 20 gld. voor het versteken van het uurwerk, viermaal per jaar (bijlage 3). Voor deze e.a. uitkeringen moest hij ondertekende kwitanties inleveren en daarvan bleven er wel 23 stuks uit de jaren 1780-1794 bewaard, waaronder die voor een aantal driemaandelijkse wedden van 17½ gld. en jaarlijkse uitkeringen voor de versteking van de beiaardtrommel (bijlage 4, nrs. 1-13 en 14-17) (zie afb. 3-4). Daarnaast streek hij nog extra vergoedingen op voor spel bij uitzonderlijke gelegenheden, meestal biddagen.
In 1780 speelde hij driemaal een halfuur extra op de beiaard n.a.v. de biddag voor de overleden landvoogd, prins Karel van Lorreinen, en ontving daarvoor 18 st.6 In 1781 speelde hij extra op een biddag en dat leverde hem 5 st. op.7 In 1787 kreeg hij een extra vergoeding van 4 gld. 18 st. voor twaalf halfuren spelen tijdens de biddagen en een uur spelen t.g.v. "de ratificatie".8 Laatstgenoemde dienst sloeg vermoedelijk op de afschaffing, op 30 mei 1787, van het Eeuwig edict op de ambachten (17 maart 1787) van keizer Jozef II, een gebeurtenis die aanleiding gaf tot een grootse Antwerpse feestviering met gelui van alle klokken 's anderendaags, waarbij de beiaarden van de kathedraal, de Sint-Jacobskerk en de Sint-Michielsabdij in actie kwamen.9 Met Sint-Jan 1789 werd bij Hoefnaegels' driemaandelijkse wedde een vergoeding van 18 st. bijgevoegd voor driemaal een halfuur spelen op de biddag van 27 april en daarvan bleef een samengevoegde kwitantie bewaard (bijlage 4, nr. 19). In 1790 trok de beiaardier 20 gld. 14 st. voor 34½ uur spelen op een biddag.10 In 1792 ontving hij 20 gld. voor een niet nader omschreven dienst, vermoedelijk ook een biddag.11 Einde februari 1794 ondertekende hij een kwitantie van 1 gld. 1 st. voor drie halfuren spelen op 23 en 24 februari n.a.v. een biddag (bijlage 4, nr. 20). Met Sint-Jan 1794 onder-tekende hij niet alleen de kwitantie van zijn driemaandelijkse wedde maar ook een afzonderlijke rekening van 6 gld. 13 st. voor extra spel: 7 st. voor een halfuur op 14 april n.a.v. het jubileum; 1 gld. 1 st. voor drie halfuren op 15 april, nl. tweemaal een halfuur en tweemaal een kwartier; tweemaal 1 gld. 8 st. voor tweemaal twee uur spelen op 23 en 24 april; 2 gld. 9 st. voor drieënhalf uur spelen n.a.v. de Inkomst van de keizer op 9 juni (bijlage 4, nr. 21). Met de keizer werd Frans II bedoeld, die na de kortstondige restauratie van het Oostenrijkse bewind (1793-1794), Brussel en Antwerpen bezocht in 1794.12 Met Bamis 1794 ondertekende beiaardier Hoefnaegels, behalve die van zijn driemaandelijkse wedde, ook een afzonderlijke rekening van 4 gld. 18 st. voor extra spel: 1 gld. 8 st. voor twee uur op 28 augustus n.a.v. de overgave van Valenciennes; 2 gld. 2 st. voor drie uur op 31 augustus n.a.v. de overgave van Condé; 1 gld. 8 st. voor twee uur op 21 september, dag van "réjouissance" (bijlage 4, nr. 22). Met kerstmis 1794 ondertekende hij, naast die van zijn driemaandelijkse wedde, ook een afzonderlijke rekening van 8 gld. 4½ st. voor extra spel: 1 gld. 18½ st. voor twee uur en drie kwartier spelen op 11 oktober n.a.v. de val van 's Hertogenbosch; 2 gld. 2 st. voor drie uur spelen op 26 oktober n.a.v. de val van Sas en Hulst; driemaal 1 gld. 8 st. voor telkens twee uur spelen op 6, 11 en 29 november n.a.v. de val van Maastricht, Nijmegen en (Den) Bommel, De Linnie en Sint-Andries (bijlage 4, nr. 23) (zie afb. 3). De gevierde wapenfeiten hielden verband met de verovering van onze gewesten door de Franse republikeinen. Bij zijn aanstelling in 1780 had beiaardier Hoefnaegels ook een akkoord ondertekend met de meesters van de O.-L.-Vrouwekapel in de Sint-Jacobskerk, die hem een jaarwedde van 25 gld. zouden uitbetalen hetzij 6 gld. 5 st. per trimester, bij het ledigen van de offerblokken. Daarvoor moest de beiaardier alle zaterdagen telkens een halfuur spelen vóór de mis en het lof, en verder steeds een halfuur op de vooravond van O.-L.-Vrouw-Hemelvaart, vóór de mis en het lof op de eerste en volgende dagen van het octaaf (achtdagenfeest), behalve op Sint-Rochusdag en de donderdag onder het octaaf want op die dagen was er geen lof in de kapel. Ook moest hij telkens een halfuur spelen op de vooravond van en vóór de mis op de Mariafeestdagen, nl. Geboorte, Lichtmis, Boodschap en Ontvangenis (bijlage 5).13 Daarnaast speelde Hoefnaegels ook op de beiaard van de Sint-Jacobskerk in opdracht van de Sint-Rochus-broederschap, nl. op de eerste en de laatste dag van het octaaf van Sint-Rochus, en daarvoor ontving hij 2 gld. 9 st. in 1783. De eigenhandig geschreven en ondertekende kwitantie van dat jaar bleef bewaard (bijlage 6), maar vermoedelijk heeft hij dezelfde dienst jaarlijks verleend. Bijaldien speelde hij ook bij de kerkdiensten voor bepaalde fundaties, zoals die van Baltina Tucher, die hem voor zes maanden dienst in 1795 niet minder dan 110 gld. opbracht.14 Ten slotte had hij in de Sint-Jacobskerk ook leeropdrachten te vervullen, nl. klavecimbelonderricht aan de koralen oftewel koorknapen. Reeds in 1790 werden er 211 klavecimbel- en vioollessen aan de koralen gegeven en dat kostte de kerkfabriek 36 gld. 18½ gld.15 In 1791-1793 werden er vijf reeksen van 20 klavecimbellessen tegen 3½ gld. per reeks en één reeks van 40 lessen tegen 7 gld. betaald.16 En daarvoor deed men uiteraard beroep op de kerkorganist, Henricus Stienon17, maar ook op Hoefnaegels, die immers eveneens organist-klavecinist was en die trouwens volgens de rekening van 1792, in maart eenmaal 3½ gld. voor twintig klavecimbellessen en op 31 december eenmaal 7 gld. voor veertig lessen ontving.18 Tot driemaal toe, nl. in 1783-1784, 1786-1787 en 1791-1792 was een Hoeffnagels deken van de gilde der speellieden19 en dat zal wel de bewuste organist-beiaardier Joannes Hoefnaegels geweest zijn want de familienaam is niet erg courant, zodat er wel geen homoniem eveneens muzikant zal geweest zijn. In 1796 schafte de Franse bezetter alle kerken en kloosters af en beroofde ze van hun patrimonium, waaronder de klokken die zogezegd moesten dienen om er wapens uit te smeden. Op 26 juli werden in de Antwerpse Sint-Jacobskerk, de kerkfabriek en de broederschappen op 70 000 £ en het kapittel op 25 000 £ getaxeerd, en als losprijs daarvoor werden al het zilverwerk en de schilderijen gelicht. Op 27 september 1797 werd de kerk gesloten en in 1799 werden alle klokken door de Franse bezetter ter plaatse verbrijzeld en uit de stukken goot Creusot achteraf kanonnen. De verdwenen beiaard van de Sint-Jacobskerk was die van 1734 en bestond uit 27 klokken van de Leuvense gieter Pieter vanden Gheyn met een klavier van de toen reeds overleden Antwerpse gieter Willem Witlockx. Met de zes grotere luidklokken beschikte die beiaard dus over een reeks van 33 klokken en in 1755 had Christoffel Lion die nog eens grondig gerestaureerd.20 Er kwam dus een abrupt einde aan de loopbaan van beiaardier Joannes Hoefnaegels: de laatste uitkering van zijn wedde is die van december 1794 en daarvan bleef een kwitantie bewaard (bijlage 4, nr. 13). Vermoedelijk ging hij zich daarna uitsluitend toeleggen op zijn muziekwinkel aan de Meirbrug die hij ten laatste in 1779 geopend had (zie infra) en op het klavieronderricht -in 1792 gaf hij immers reeds klavecimbellessen aan de koralen van de Sint-Jacobskerk. Het hoeft geen verwondering te wekken dat een organist ook als beiaardier optrad in de 18de eeuw, denken we maar aan Joannes & Amandus Amatus de Gruijtters, vader en zoon, die beiaardier van de Antwerpse kathedraal en gelijktijdig organist waren, respectievelijk in de H. Sacramentskapel van de kathedraal en in de Sint-Joriskerk. Antonius & Jan Jozef Colfs, Matthias vanden Gheyn, Pieter en Boudewijn Schepers oefenden respectievelijk in Mechelen, Leuven, Gent en Aalst gelijktijdig beide functies uit.
Muzikant Joannes Hoefnaegels (ook Hoefnagels, Hoeffnagels) is ongetwijfeld te identificeren als Johannes Hoefnagels uit Deurne, die op 3 oktober 1776 poorter van Antwerpen werd en toen koopman genoemd werd.21 Trouwens komt de handtekening van deze laatste in de parochieregisters, schepenregisters, enz., overeen met die van de gelijknamige beiaardier op de kwitanties van de Sint-Jacobskerk. Hij was een zoon van Josephus en van Catharina De Vrindt uit Borgerhout en werd op 25 maart 1747 in de Sint-Fredeganduskerk te Deurne boven de doopvont gehouden door Joannes De Vrint en Catharina Bessems.22 Op 14 januari 1776 trouwde Joannes Hoefnaegels uit Deurne, in de parochie van O.-L.-Vrouw-Noord, met Maria Jacoba Franck uit de parochie van O.-L.-Vrouw-Zuid. De bruidegom was toen 26 jaar en de bruid pas vijftien. De getuigen waren Josephus Hoefnaegels en Jacobus Franck.23 Eerstgenoemde getuige was vermoedelijk de vader van de bruidegom en de tweede, de vader of een broer van de bruid. Volgens deze trouwakte zou Joannes Hoefnaegels dus in 1749-1750 geboren zijn en zijn vrouw in 1750-1751, maar volgens zijn doopakte was hij toen twee jaar ouder. Op 25 september 1776 maakte het echtpaar een wederkerig testament bij notaris François Joseph van Hullegarde24, vermoedelijk omdat de vrouw toen zwanger was. Het echtpaar kreeg minstens twee kinderen, die in de parochie van O.-L.-Vrouw-Zuid boven de doopvont gehouden werden: Joanna Maria Josepha in 1778 door Josephus Hoefnaegels en Joanna Maria Deponti, en Catharina Carolina Maria in 1779 door Joannes Baltazar Franciscus Franck en Catharina De Vrindt.25 De peter van Joanna was haar vaderlijke grootvader en de meter van Catharina, haar vaderlijke grootmoeder, terwijl haar peter een moederlijke oom moet geweest zijn. Joannes Hoefnaegels' echtgenote, Maria Jacoba Franck, overleed vóór 19 mei 1785 en liet een weduwnaar met twee minderjarige dochters achter. Ingevolge het testament van 1776 (zie supra) werd Hoefnaegels toen oppervoogd van zijn kinderen en op 19 mei 1785 werd Joannes Frans Franck per notariele akte als medevoogd aangesteld.26 In een verzoekschrift aan het stadsbestuur verzocht Hoefnaegels om een staat van goederen te mogen laten opstellen teneinde het wettelijk erfdeel van zijn kinderen te berekenen. Hij wenste geen publieke verkoop omwille van de kosten, maar wel dat twee deskundigen of oudekleerkopers een schatting zouden doen van de winkelgoederen met de pianofortes, klavecimbels e.a. muziek-instrumenten, die hij zelf op factuur wenste in te kopen. Met akkoord van de medevoogd Joannes Frans Franck, verzocht de suppliant het magistraat om een commissaris aan te duiden die de opstelling van de staat van goederen zou superviseren. Op 19 mei 1785 stelde het stadsbestuur schepen Paulus Jos. van der Aa aan en na diens verslag, kreeg de suppliant op 3 juni 1785, de toelating om de winkelgoederen op factuur over te nemen, na goedkeuring en parafering van de lijst door de aangeduide commissaris en na schatting door twee ter zake bevoegde oudekleerkopers, die niet gehouden waren de goederen in te kopen. Uiteraard moest de suppliant alle op deze transactie staande stadsbelastingen betalen.27 Uit dit document blijkt dat Joannes Hoefnaegels een winkel hield, waar hij o.a. pianofortes, klavecimbels e.a. muziekinstrumenten verkocht. Het feit dat hij een staat van goederen wenste met berekening van het wettige erfdeel van zijn kinderen, wijst erop dat hij ging hertrouwen en dat gebeurde inderdaad op 28 juni 1785 in de Sint-Joriskerk. De uitverkorene was Isabella Maria Petronella Hoylaerts en de getuigen waren Jacobus Franck en Petrus Josephus Hoylaerts. De bruidegom was 39 jaar, uit Deurne afkomstig en woonde op de Meirbrug. De bruid was 35 jaar en woonde aan De Vier Winden.28 Hoefnaegels zou dus in 1746-1747 geboren zijn en zijn vrouw in 1750; zijn doopakte is inderdaad in 1747 gedateerd. In 1785 kocht een "Sr. Joannes Hoeffnaegels" het huis Het Moriaenshooft in de Boeksteeg en in 1789 verkocht een "Joannes Hoefnagels" een huis in naam van Henricus Franciscus Borgers en Maria Elisabeth Wouters.29 In beide gevallen gaat het vermoedelijk om een homoniem want de signatuur op eerstgenoemde schepenakte komt niet overeen met die van beiaardier Hoefnaegels op de kwitanties van de Sint-Jacobskerk e.a. archiefstukken. Bij de volkstelling van het jaar IV (1796) woonden de 49-jarige Joannes Hoefnaegels, die toen reeds 22 jaar in Antwerpen verbleef, en zijn 46-jarige echtgenote Isabella Hoijlaerts op de Meirbrug, nr. 6, in een winkelhuis van J.B. Franck, waarvan de huurwaarde op 100 gld. geschat werd. De familie bestond verder uit Joanna Hoefnagels, die achttien jaar en naaister was, Caterina Hoefnagels, die zestien jaar was en nog school liep, en ten slotte een vijfde persoon, nl. een kind onder de twaalf jaar. De familie leefde in "aisance bourgeoise", maar kon geen logies verschaffen.30 Volgens deze aantekening was vader Hoefnaegels dus in 1747-1748 geboren en zijn vrouw in 1750, en zou hij sinds 1774 in de stad gevestigd zijn. Hij werd pas in 1776 Antwerps poorter, maar inderdaad woonde hij volgens zijn advertentie in de Gazette van Antwerpen, reeds in 1774 in de Korte Nieuwstraat, en in 1796 was dat sinds 22 jaar, maar vermoedelijk woonde hij reeds sinds 1763 in Antwerpen (zie infra). Ook de opgegeven leeftijden kloppen want Hoefnaegels' geboortejaar was 1747 en dat van zijn tweede vrouw was 1750, en eveneens die van beide dochters uit het eerste huwelijk, die immers in 1778 en 1779 geboren werden. Uit het tweede huwelijk moet er dus ca. 1785 nog een kind geboren zijn, alhoewel de moeder toen reeds 35 jaar was. Volgens de volkstelling van 1800-1815 woonde de toen 56-jarige winkelier Jean Hoefnagels in 1803 nog steeds op de Meirbrug en was die reeds sinds 1763 in de stad gevestigd. Zijn vrouw Isabella Hoylaerts was toen 53 jaar en zijn dochters Jeanne en Catherine respectievelijk 25 en 24 jaar, terwijl zoon Pierre pas negentien was en afgekeurd voor de legerdienst, in Brussel geresideerd had en op 28 maart 1807 naar Parijs vertrokken was. Ten slotte woonde er nog een zesde persoon bij de familie, nl. de zeventienjarige Joseph Montgomerij uit Philadelphia, die "commis-negotiant" genoemd werd.31 Laatstgenoemde was misschien een leerjongen van Hoefnaegels. De zoon Pierre moet een kind uit Hoefnaegels' tweede huwelijk geweest zijn en werd dus blijkbaar in 1784 geboren.32 Volgens laatstgenoemde telling zou Jean Hoef-naegels in 1747 geboren zijn en dat was inderdaad zijn geboortejaar, zoals reeds meermaals gezegd. Bij de publicatie van zijn klavecimbelboek in 1774 was hij dus slechts 27 jaar, wat wel erg jong was voor een publicatie. In de Antwerpse adresboeken van 1820-1828 staat Jean Hoefnagels op de Meirbrug vermeld als muzikant en handelaar in muziek maar ook in regenschermen.33 Op genoemd adres woonde hij trouwens reeds in 1779 want in de doopakte van zijn tweede dochter werd gezegd dat ze geboren was in de woning van haar ouders op de Meirbrug. En daar hield hij hoogstwaarschijnlijk toen reeds een muziekwinkel want ten laatste in 1785 was dat het geval. Misschien verkocht hij zelfs reeds muziekinstrumenten in 1776 want bij zijn inschrijving in de Antwerpse poorters-boeken werd hij "koopman" genoemd. Hoefnaegels overleed in zijn woning op 2 september 1832, om half zes 's avonds, en was toen 86 jaar. Zijn dood werd bij de Burgerlijke Stand gemeld door de 32-jarige winkelier Petrus Joannes Josephus Wildiers en de 22-jarige klerk Josepus Petrus Hendrickx. Bij zijn dood was Hoefnaegels weduwnaar van Maria Franck en van Isabella Maria Hoylarts (bijlage 7). Na zijn dood staat op hetzelfde adres aan de Meirbrug een Pierre-Joseph Hoefnagels vermeld als "marchand d'instruments et de musique" en fabrikant van regenschermen en wandelstokken.34 Zonder twijfel ging het hier om de zoon van Jean Hoefnaegels en van Isabella Hoylaerts, nl. Pierre, die in 1784 geboren werd en in Brussel en Parijs geresideerd had (zie supra). Men kan zich afvragen of die in deze grootsteden een stage had gelopen bij een of andere fabrikant-verkoper van muziekinstrumenten, misschien piano's. In 1851 staat Pierre nog steeds op hetzelfde adres vermeld, maar in 1856 is het zijn weduwe en die verkocht nog alleen regenschermen. Hij stierf dus in de tijdspanne 1851-1856, maar in de overlijdensregisters van de Burgerlijke Stand Antwerpen vonden wij hem niet terug in die periode, zodat men mag veronderstellen dat hij buiten de stad gestorven is. |
||
|
organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home |
||