Home
 
 

 

Klokken en de Tijd

Frank Deleu, 09/2000

 

Altijd heeft men beseft dat de tijd een eigen tempo had en vooral een vaste richting van verleden naar toekomst. Augustinus meende nog dat het in de ziel is dat de tijd voorbij gaat vermits het voorwerp van de afwachting dat van de aandacht wordt en vervolgens dat van het geheugen. Pas veel later zou Einstein tot de conclusie komen dat de tijd ook afhankelijk was van de plaats van de waarnemer!

De tijdsaanduiding was in de abdijen een noodzakelijk synchroniserend gegeven. De dagindeling van de monniken was door Benedictus vastgelegd in uren van studie, meditatie en religieuze oefeningen. Om de duurtijd te meten gebruikte men waterklokken (clepsydrae), gegradueerde kaarsen of wieken en zonnewijzers. De positie van een gebeurtenis in de dag, of het tijdstip van begin en eind kon slechts afgeleid worden volgens de stand van de hemellichamen. Maar, water en vuur deelden in de nadelen van de natuurelementen: water kan bevriezen en vuur kan doven. Bovendien moesten kaarsen, die veel minder precieze aanduidingen gaven, ook overdag gebruikt worden als er geen zon was... Wateruurwerken evolueerden van primitieve albasten kruiken met in de bodem een opening en binnenin een tijdmarkering tot ingenieuze toestellen met raderen en wijzers. In de warmere landen waren dit handige toestellen die dag en nacht konden doorwerken. Later kende de zandloper een ruime verspreiding. In de koudere landen was dit een nuttig aanvullend toestel dat tijdens de wintermaanden de wateruurwerken kon vervangen.

Pas met het mechanisch uurwerk werd het mogelijk naast de duur van een activiteit, ook het tijdstip van begin en eind te bepalen. De oudste vermeldingen van mechanische uurwerken gaan terug tot het eind van de 13de eeuw (kathedraal van Exeter, 1284; St.-Pauls te Londen, 1286; Cambrai, 1308). De nieuwe toestellen lagen aan de basis van een ware kentering in de organisatie van het maatschappelijk leven. Zij vormden de eigenlijke overgang van een natuurlijke naar een artificiële tijdregeling. Het was het begin van een strikte chronocratie die wij vandaag nog ondergaan. Eindelijk had iemand een toestel uitgedacht dat een regelmatige, zich herhalende beweging realiseerde door aandrijving met een gelijkmatige energie. De kern van het nieuwe systeem was de gang of het "echappement": een vernuftig en tegelijk simpel systeem dat de energie van de hangende gewichten tand voor tand laat ontsnappen, afremt en terug in beweging brengt. Het eerste mechanische uurwerk waarover we relatief goed zijn ingelicht is dat van de Benedictijnerabdij van Saint-Albans (Engeland). Door het gebruik van een veer in plaats van hangende gewichten zou, veel later, miniaturisatie en mobiliteit van het uurwerk mogelijk worden.

Het ligt bijna voor de hand dat de uurwerken al vlug gekoppeld werden aan een klokkenrad of een reeks cymbala om de auditieve tijdsaanduiding mogelijk te maken. Dergelijke installaties zijn nog maar nauwelijks te vinden in hun oorspronkelijke staat. Het uurwerk uit de Dom van Lund (Zweden) dateert uit het eind van de 14de eeuw. In de kathedraal van Beauvais (Frankrijk) staat een in oorsprong ouder mechanisme dat later werd uitgebreid met een wijzer voor de aanduiding van de minuten. Dit uurwerk telt, naast de uurslagklok, 12 cymbala waarbij twee reeksen van vier melodieën op een houten speeltrommeltje zijn vastgelegd. Recenter en veel vernuftiger is het astronomisch uurwerk uit de kathedraal van St.-Omer (Frankrijk, 1558). Hier vormen astro-labium en uurwerk één geheel. Achter de wijzerplaat (met één enkele wijzer voor de uren) hangt een klokkenspel en erboven een jacquemart die de uren slaat op een grote kombel. Beroemdere voorbeelden van dergelijke complexe installaties tot en met het weergeven van de stand van de maan, de planeten en de tekens van de dierenriem, werden in latere tijden gebouwd te Straatsburg, Beauvais, Lier en St.-Niklaas. Uurwerken met jacquemarts werden overal in Europa geplaatst. De voortschrijdende tijd en de erbij horende symboliek werd met vernuftige technieken tot een zich steeds herhalend schouwspel uitgewerkt. Jacquemarts zijn er thans nog ondermeer te Praag, München, Orvieto (1351) en Sluis (1426). In eigen land is het meest recente spektakeluurwerk geplaatst op de Kunstberg te Brussel. Jacquemarts zijn er ook te Leuven op de toren van de St.-Pieterskerk ("Meester Jan", in oorsprong van 1381) en te Kortrijk. Jaquemarts verdwenen o.m. in Nieuwpoort (15de eeuw) en Diksmuide ("sot" en "sotinne", 16de eeuw). De meest beroemde uurslager was wellicht "Manten", later aangevuld met "Kalle" op het belfort van Kortrijk. Dit pronkstuk werd in 1382 als oorlogsbuit meegenomen naar Dijon door Filips de Stoute en gemonteerd op de O.-L.-Vrouwekerk.

De tijdmeting en de tijdsbepaling was in de opkomende steden een noodzakelijkheid geworden. De secularisatie van de cultuur en de groeiende economische activiteiten dwongen de inwoners hun leven op het uur te richten. Op korte tijd groeide de vraag naar klokken en uurwerken aanzienlijk. De klokgietkunst trad buiten de kloostermuren om aan de nieuwe behoeften van de steden te voldoen. In de organisatie van het stadsleven werd de klok een belangrijk communicatiemiddel. Boodschappen van verschillende aard werden aan de klank, de toon en de wijze van luiden toegeschreven. De inwoners herkenden het verschil tussen de dwingende betekenis van kleppen bij gevaar, beieren bij feestelijke gebeurtenis-sen of luiden bij een oproep. Het geluid van klokken was nooit meer uit de lucht. Men kende de klokken vertrouwd klinkende namen toe: klokke Roelant te Gent, Orida (= horrida, de verschrikkelijke) te Antwerpen, de Magna Campana of triumphe klok te Brugge. Meer en meer klokken, elk met een specifieke signaalfunctie, werden in de torens opgehangen: de bruudclocke, brandt-clocke, marcktklocke, wercclocke, poortclocke, enz. zijn namen die regelmatig terug komen. Tijdens diezelfde periode werden ook openbare uurwerken in de torens opgehangen. In de eerste helft van de 14de eeuw, werden daar automatische klokken-spellen aan toegevoegd om door middel van een voorslag de uurslag aan te kondigen: een trommel met staafjes die bij het ronddraaien een hefboom licht waaraan een hamer is verbonden die op de klok neervalt. Afhankelijk van het aantal klokjes was melodisch spel in beperkte mate mogelijk. Omstreeks 1370 werd een voorslag gemonteerd in het (verdwenen) belfort van Rijsel, in 1378 te Ieper en in 1396 te Brugge. In de loop van de 15de eeuw werd het aantal klokjes uitgebreid waardoor het mogelijk werd om herkenbare melodieën op de trommel te plaatsen.

De oudste speeltrommels hadden waarschijnlijk vaste toonstiften waardoor verandering van muziek niet mogelijk was zonder heel de trommel te vernieuwen. Te Damme wordt een dergelijk klein trommeltje bewaard in het stadhuis. De muzikale mogelijkheden werden aan-zienlijk uitgebreid toen de trommels werden voorzien van verstelbare toonstiften.

Het repertoire kon nu evolueren van gregoriaanse melodieën zoals "Ave maris stella" of "Da Pacem Domini" (Middelburg, 1526) naar motetten oft liedekens naer 't saisoen van de jaere (Aalst, 1539). Er werden zelfs verzamelingen aangelegd met muziekjes die op de trommel werden "gestoken". De Stad Brugge kocht in 1552 een inmiddels verdwenen muziekboek met al de airkens op den beyaerd van Jan Leunis. Het merkwaardige beiaardboek van Theodoor de Sany dienende tot den vorschlag en hora in St. Nicolaes (Brussel, 1648) bleef wel bewaard, net zoals het versteekboek van Pater Wijckaert te Gent (17de eeuw). De speeltrommels evolueer-den in de 18de eeuw tot indrukwekkende toestellen met meerdere hamers per klok om een snellere toonherhaling te kunnen realiseren (Mechelen, Antwerpen, Gent, Brugge, enz.). Nog vernuftiger waren de "springtrommels" die twee reeksen van vier melodieën konden laten horen (Lier, Hasselt). De evolutie in het gebruik van klokken als signaalgevers én als auditieve tijds-aanduiders met beperkte muzikale mogelijkheden voltrok zich in de meeste Europese landen. De evolutie tot en de ontplooiing van het beiaardspel bij middel van een stokkenklavier voltrok zich in het geografische gebied van de Zeventien Provinciën. De laatste evoluties rond het automatisch beiaardspel voltrokken zich in onze tijd. De klokkenklepels voor het automatisch beiaardspel en de tijdsaanduiding in onze torens worden nu elektrisch aangedreven. Eerst via geperforeerde plasticbanden of metalen en elektrisch gestuurde speeltrommels; vandaag via computer-gestuurde speelwerken die MIDI-taal omzetten in automatisch beiaardspel. Maar, het beiaardhandspel, dat zo eigen is aan de Nederlanden, kon zich in onze eeuw ook internationaliseren door de grote belangstelling hiervoor in de Verenigde Staten, Canada, Japan, Oost-Europa en Scandinavië.
Niets minder dan de tijdmeting in onze bedrijvige Vlaamse steden lag hieraan ten grondslag!

 

 




 

 

organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home